Zeg nooit nee
- 16 aug
- 5 minuten om te lezen
Chengdu

Je zou het niet verwachten in een communistisch land maar de hele straat stond vol met marktkraampjes met consumptieartikelen. Tassen met teksten: Adidas, US Air Force, California. Allerlei huishoudartikelen en plastic prullaria, transistorradiootjes, kleding in de stijl van zo'n tien jaar terug, posters van Bruce Lee en landschappen, en alles mocht zich in een hevige belangstelling verheugen van het krioelende publiek, dat zich grotendeels allang niet meer hulde in de blauwe en groene eenheidspakjes van kameraad Mao. De spijkerbroeken, overhemden en kunstleren laarzen in de kraampjes bevielen hen veel meer. Deze imitatie westerse kitsch vind je op alle markten in Azië en nu ook in China. Na de opiumhandel is dit de tweede keer dat het Chinese volk zich laat verleiden door het Westen. De barbaren staan aan de poorten van het Hemelse Rijk, dit maal met de kralen en spiegeltjes van de twintigste eeuw. Het was 1988, midden in de transformatie van de Chinese maatschappij bewerkstelligd door Deng Xiaoping. Die zowel geprezen als verguisde voormalige medestander van Mao wilde het marxisme succesvol maken met behulp van de kapitalistische vrije markt. Of het dan nog marxisme of kapitalisme was deed er niet toe. De kat moet muizen vangen, of hij nu zwart of wit is, zoals het oude Chinese spreekwoord luidt.
Chengdu zelf zou je niet verwachten. Samen met Chongching ligt het in het Rode Bekken, dat doorsneden door rivieren aan de noordoever van de Yangtze Kiang ligt, ingesloten door hoge gebergtes in het uiterste westen van beschaafd China. Hier wordt aardolie, steenkool en koper gevonden. Er is een grote textiel- en metaalindustrie en bovendien uitgestrekte groene akkergronden met tarwe en rijst.
Terwijl Chongching een smoezelige industriestad is lijkt Chengdu op Peking, met brede, open boulevards met rustig fietsverkeer. Auto's zijn er weinig. Het is er redelijk schoon en netjes. Er is een groot, modern winkelcentrum en westerse boetiekjes met kleding.
Toen Tim en ik de straat met de marktkraampjes waren uitgelopen gingen we in de haaks erop liggende straat een restaurant in. Aan een tafel tegen de muur zat een familie te eten die ons met heimelijke nieuwsgierigheid gade sloeg terwijl we een tafel uitzochten. De enige andere eter was een dikke jongen van een jaar of twintig in een hemd en een korte broek. Hij had een bloempotkapsel en een ziekelijk bleke gelaatskleur, en zat droge rijst uit een kom tegen zijn kin in zijn openhangende muil te schoffelen. Tegenover hem zat een vrouw met een schort voor goedkeurend toe te kijken.
We begonnen ons voor te bereiden op de moeilijke operatie van het bestellen van eten. Door het ontbreken van een gemeenschappelijke taal en schrift is het in China onmogelijk om op de gebruikelijke wijze een bestelling te doen. De beproefde methode is om de kelner of de eigenaar mee de keuken in te nemen en daar de verbouwereerde man de ingrediënten aan te wijzen die je in gekookte vorm op je bord wil zien. Bestellen op goed geluk vanaf een menukaart is uiterst riskant. Op die manier loop je de kans gebakken kattenhoofdjes, gestoofde vogeltjes, gemarineerde hondenhersens of halfdode marmottenbaby's voorgeschoteld te krijgen. Chinezen eten alles, en zo vers mogelijk. Het verorberen wezen wordt geslacht zo kort mogelijk voor het ter tafel gaan en behoort als het ware nog op het bord de laatste adem uit de blazen. De eetwaren leven dan ook meestal nog als zij gekocht worden. Honden, katten, kippen, slangen, kreeften, paling, vis, trossen met de poten aan elkaar vastgebonden eenden en ganzen, alles wordt levend verkocht, of op het moment van verkoop met een klap op de kop of een draai van de nek om het leven gebracht.
Al deze arme schepsels, die wanneer zij levend op de markt verschijnen voor alle praktische doeleinden al dood zijn, en als dingen behandeld worden, hadden wij over straat gesleept zien worden en in kratten gegooid zien worden, en wensten wij niet meer te eten. Een bezoek aan China is een krachtige aansporing om vegetariër te worden.
Tot onze verrassing sprak de man in zwarte broek en colbert die naast ons kwam staan Engels.
- What would you like to eat? -
Tim wilde het simpel houden en gebruikte onze tweede methode. Hij wees naar de gerechten op de tafel van de familie.
- That we want to eat. -
De man draaide zich om en keek peinzend naar de tafel en de aanzittende mensen, die elkaar geschrokken aankeken. Ze leken te denken dat ze per ongeluk ons voedsel aan het opeten waren en keken schuldbewust naar de man in het zwart. Deze wendde zich weer naar ons en zei opgewekt:
- That's possible. For two people? And what would you like to drink? -
- Tea. - zei ik.
- Sorry? -
- Tea. -
Hij keek me aan alsof nooit iemand iets vreemders tegen hem gezegd had. Thee is de nationale drank van China, het wordt overal gratis geserveerd, zij het erg licht.
- Tsa. - zei Tim. Chinees voor thee.
- Ooh! Beer! - riep de man verheugd.
- No. No beer. - zei ik, - Tea. -
- He doesn't understand. - zei Tim.
- Tsjai - probeerde ik, - Tsjai! - Hindi voor thee.
- I don't understand! - zei de man radeloos.
- Tsa. Tsja. Sa. - probeerde Tim. Soms spreek je een woord, of zelfs de naam van de naburige stad, op een iets andere manier uit dan in het lokale dialect en dan verstaat niemand je. Probeer je alle mogelijke uitspraken dan kan plotseling het begrip doorbreken en herhaalt men het woord met een lach: - Had dat dan meteen gezegd! -
- He doesn't understand.- zei ik.
- Ooh! Beer! - probeerde de man nog eens. - I have beer! Cold beer! -
- No beer! - zei Tim, -No beer. Tea. Why don't you understand? -
- Okay, never mind, -zei ik, - we won't drink anything. -
Geslagen liep de man weg naar de keuken. De ogen van de familie bij de muur brandden in zijn rug.
Korte tijd later kwam hij terug met het eten en, zowaar, twee theekopjes, waar echter niets anders in zat dan heet water.
- Sorry, but we don't have tea, okay? - sprak hij op gedempte toon.
Wij domme vreemde duivels! Daarom begreep hij het niet. Omdat hij geen nee kon zeggen. Een Chinees leidt gezichtsverlies als hij nee zegt terwijl hij ja behoort te zeggen. Behalve als hij autoriteit heeft. Dan blijft hij nee zeggen met een stalen gezicht, waarop niet valt af te lezen of hij het erg vindt of niet:
- Ik wou graag een enkele reis Guilin.-
- Dan moet u bij het loket voor buitenlanders zijn. -
- Nee, dan moet ik dubbel betalen, ik koop het liever hier.-
- Dat kan niet. -
- Maar ik ben student, dan kan ik toch hier terecht? -
- Nee. -
- Studenten krijgen korting op treinkaartjes.-
- Nee. -
- Geef me toch maar een kaartje, ik ben nou toch hier. -
- Nee. -
- Ach, kom op nou. -
- Nee. -
Maar als hij eigenlijk ja zou moeten zeggen, zoals een restauranthouder bij wie thee wordt besteld, wurmt hij zich à la John Cleese in Fawlty Towers in de gekste bochten om te voorkomen nee te moeten zeggen. De man in het restaurant veinsde onbegrip, en als we Chinezen waren geweest hadden we de situatie begrepen, en hadden we bier of iets anders besteld. Want als ik vandaag jou gezicht red, red jij morgen het mijne. Omdat we buitenlanders waren hielden we voet bij stuk en moest de man, die bij de andere aanwezigen juist indruk gemaakt had met zijn Engels, tot het uiterste van zijn vindingrijkheid gaan om te redden van zijn gezicht wat er van over was. Hij kon geen nee zeggen en hij kon geen thee serveren. Hij moest dus tegelijkertijd thee serveren en geen thee serveren. Dus gaf hij ons theekopjes met heet water. Toen begrepen we het. We besloten medelijden te hebben met zijn gezicht en lieten het ons wel smaken, alsof het de beste thee was die we in tijden hadden gedronken.


