Op de Yangtze Kiang
- 11 jul
- 18 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 16 aug
11 april, Leshan

De 9de naar Chengdu gevlogen. De 8ste had ik in Lhasa 's ochtends mijn rugzak ingechekt in het CAAC kantoor, had ik 's middags nog vijf koeken in het Banak Shol restaurant gekocht, en reed ik om half vijf met de bus naar Gongar Airport, 90 kilometer buiten Lhasa. Een bed in het Airport Hotel kostte maar liefst 22 RMB (1 gulden is 2 FEC en op de zwarte markt 3 RMB. RMB is gewoon Chinees geld. FEC speciaal geld voor buitenlanders). De Chinezen hielden een stormloop op de balie om een kamer te bemachtigen. Dit dure hotel is speciaal in deze verlaten vlakte neergezet om reizigers te dwingen meer geld uit te geven. Het vliegtuig vertrekt 's ochtends vroeg, zodat de bus de avond er voor al naar het vliegveld moet komen. De tourgroepreizigers moeten nog veel meer betalen.
Op mijn kamer de koeken opgegeten. De volgende ochtend om zeven uur moest iedereen naar het vliegveld. Bagagecontrole. Paspoortcontrole. Er was een imaginair probleem met de verloopdatum van mijn visum, waardoor ik apart genomen werd en een poos in een kantoortje moest gaan zitten. Niemand sprak Engels. Na verloop van tijd mocht ik verder. Wellicht was een bijkomend probleem dat mijn visum, verkregen op de Chinese ambassade in Den Haag, eigenlijk alleen geldig was voor een bezoek via Hong Kong, terwijl ik op goed geluk via Nepal was gegaan en bij de Tibetaanse grens was doorgelaten.
Buiten moesten we op het asfalt bij het vliegtuig in een lange rij nog lang wachten voor we in konden stappen. Het was koud en winderig onder een grijze ochtendlucht. De vliegreis zelf was oninteressant. Ik zat niet bij een raampje en we vlogen voornamelijk boven de wolken, zodat ik niets zag van het befaamde berglandschap waarin de Yangtze, de Mekong, de Salween en de Irrawaddy ontspringen.

In Chengdu, kilometers lager dan Lhasa, was het heerlijk zomers weer, zoals Nederland in juli. Een bus bracht ons door een groen en net landschap en daarna door schone buitenwijken naar het Jinjiang Hotel, een groot luxueus toeristenhotel. Ik liep wat door de paleisachtige lobby en kwam van een Zweeds meisje het adres te weten van een goedkoop Chinees hotelletje waar buitenlanders werden toegelaten. De naam was Black Coffee. Het was vlakbij, langs een kanaal met hoge bomen. Ik deelde er voor 5 RMB een klein kamertje met een Engelsman, een Deen en een Amerikaan. Ik gebruik een kamer alleen om te overnachten en als ik slaap merk ik toch niet waar ik ben. Het was waarschijnlijk tien keer zo goedkoop als het Jinjiang Hotel.
Het Black Coffee bestaat uit lange onderaardse gangen, of liever gezegd tunnels, als was het een onderdeel van het rioleringsstelsel. De tunnels staan vol met lege bedden, en deurtjes leiden naar kamertjes waarin een, twee, drie of vier bedden staan. De doucheruimte is een labyrinth van stenen hokken en metalen buizen waar alleen straaltjes koud water uit komen. De toiletten erachter, gaten in de vloer, zijn donker en eng, als kerkers. De gangen voorin het hotel vormen een restaurant, met ronde tafels, rode fluwelen banken en gedempt licht. In een van de gangen zijn door kralengordijnen afgesloten alcoven met een tafel en luie stoelen en banken er omheen en een decadent schilderij aan de muur. Hier zitten 's avonds gezelschapjes te eten. Ik zou graag zeggen dat het louche types zijn maar dat kan ik niet beoordelen.

Vergeleken met India is Chengdu modern en schoon, met veel ordelijk fietsverkeer en af en toe een verkeersagent op een verhoginkje die weinig te doen heeft. Auto's zijn er bijna niet. Op het centrale Tianfu plein staat een groot standbeeld van Mao over het fietsverkeer uit te kijken. Er zijn winkelstraten met warenhuizen, boetiekjes en zelfs winkelpromenades. Restaurants, snackbars met dumplings. Tamelijk westers maar wat goedkoop en amateuristisch, alles geïmiteerd. Chengdu ziet er niet uit als een stad in een ontwikkelingsland, en ook niet als een stad in een communistisch land, met alle markten, winkels en consumptieartikelen. De openstelling van de economie door de grote kleine leider Deng Xiaoping begon hier duidelijk effect te hebben.
De marktjes op straat zijn aardig, maar het is naar om te zien hoe dieren (kippen, ganzen, slangetjes) worden behandeld alsof het dingen zijn. Halfdood worden ze vervoerd, versleept en verkocht, om ze zo lang mogelijk vers te houden. De handicrafts vallen vergeleken met India tegen. Ik zocht naar een fluit maar kon er geen vinden. Het eten in Chengdu is heel erg lekker, hoewel je in de betere restaurants moet zijn, en het is moeilijk om iets te bestellen. Ook als er een menukaart is begrijp je niet wat er staat. In een kantoor in een achterafstraat heb ik zonder moeite mijn visum verlengd tot 20 mei. Het postkantoor met zijn poste restante kon ik echter ook na lang zoeken niet vinden.

De 11de ben ik met Tim Christensen, de Amerikaan uit mijn kamer, per bus naar Leshan vertrokken, waar we na vier uur rijden 's middags aankwamen. We betrokken voor 5 RMB een tweepersoonskamer in een hotelletje dat Dongfeng Fandian heette. Leshan is een voor Chinese begrippen klein provinciestadje, met een opmerkelijke saaiheid. De enige objecten van ouderdom zijn de wegrottende stadsmuren langs de rivier, met erachter hele nauwe straatjes met piepkleine huisjes.
We liepen door een opening in de muur een vieze trap af naar het water, en lieten ons door een man en een jongetje voor tweeënhalve yuan in een smal bootje een eind de rivier opvaren. De man manouvreerde de boot door de stroming en meerde af op een grindbank halverwege de andere oever. In het halflicht van de schemering zagen we aan de overkant het reusachtige beeld van de Boedhha dat in de rotswand was uitgehouwen. Hij zat op zijn gemak als op een stoel met zijn handen op zijn knieën en keek dromerig het eindeloze land van China in.
12 april, Leshan

Eerst op de kade langs de rivier geprobeerd een boot naar Chongching te boeken maar de eerste mogelijkheid was pas over vier dagen. We hadden de grootste moeite ons verstaanbaar te maken, hoewel we in feite alleen het woord Chongching nodig hadden. We vroegen de weg aan een groepje mannen op de kade en spraken Chongching op alle mogelijke manieren uit maar bleven op totaal onbegrip stuiten. Totdat het iemand begon te dagen: 'Ooooh! Chongching!'
Vier dagen in Leshan vonden we te lang. Dan maar verder met de bus. Morgen om 6.40 uur, 12 uur rijden, 20 yuan.

Toen met een pontje vol met Chinese toeristen naar de overkant van de rivier gevaren, een eind gelopen en een enorm aantal trappen opgeklommen totdat we uitkwamen bij het hoofd van de Boedhha. Hij heet Dafu. Hij houdt zijn ogen half dichtgeknepen en glimlacht vaag. In zijn schoot groeien planten. Vanaf hier heb je een wijds uitzicht over de drie grote rivieren: de Dadu, de Min en de Qingyi, die hier langs grote zandbanken traag samenvloeien. Leshan ligt in de verte aan de overkant.
Dan langs een steil, smal trappetje zigzaggend weer helemaal naar beneden, naar Dafu's enorme voeten, tenen en teennagels. Zijn afmetingen zijn indrukwekkend. Het krioelde van Chinese toeristen met fototoestelletjes die de standaard foto's van elkaar maakten. Dan over een pad dat langs de rotswand liep, met trappen op en neer, langs uitgehouwen tafereeltjes en kleine beelden. Een hangbrug over, weer een lange trap op en je komt bij de Wuyou tempel, uit dezelfde periode als het Boeddha beeld. De tempel heeft geen religieuze functie meer. Hij leek meer op een replica van een echte tempel die hier vroeger gestaan had.
Weer verder naar beneden gelopen en op een andere pont teruggevaren naar de kade van Leshan, onderweg voor de laatste keer het beeld passerend. Het is zo groot en tijdloos dat het zich helemaal niets aantrekt van de Chinezen die op zijn tenen klimmen om leuke kiekjes te maken.

Later liep ik met Tim door de nacht van Leshan. Hij droeg een blauw Maopetje en met zijn handen in de zakken van zijn grijze jack deed hij me denken aan een jonge arbeider uit een John Steinbeck roman. De straten waren donker en nat van de lichte regen. Hun vreemdheid maakte hen uitnodigend. De romantiek van het onbekende. Restaurantjes beloofden licht en warmte en hete miesoep. Chinezen zaten aan ronde tafeltjes en aten met stokjes uit kommen.
We gingen een bioscoopje in waar een komische zwart-wit film bleek te draaien. Een sukkelige hoofdpersoon beleefde grappige avonturen. De flauwe practical jokes brachten het hele publiek aan het schaterlachen.
15 april, Yangtze rivierboot

Na een 13-urige busreis door een kletsnat landschap van groene akkers, waarbij ik weer last kreeg van mijn ingewanden, arriveerden we in de smoezelige industriestad Chongching. De Yangtze meandert hier behoorlijk en Chongching is gebouwd aan beide zijden van de rivier. Veel industrie: fabrieken en schoorstenen en grote kolommen rook. Huizen en flatgebouwen staan tegen en op de heuvelhellingen. In de rivier liggen een groot aantal grote en kleine, moderne en ouderwetse schepen. Veel ervan zijn veerboten, waarvandaan lange rijen mensen via trappen over de brede hellende kade naar boven en naar beneden lopen. Vanuit fabrieken lopen railsjes naar de rivier.
Al in Chengdu was het weer regenachtig en koud geworden, met een slecht zicht. Hier was zelfs de overkant van de behoorlijk smalle rivier al wazig.
Omdat we in Chongching geen adres wisten van een hotel dat buitenlanders durfde op te nemen sliepen we hier in het Huixan hotel, op de slaapzaal, voor 10 yuan FEC, met een goed uitzicht over de helaas in mist gehulde stad. Sinds Lhasa heb ik ook weer eens een warme douche kunnen nemen. We zagen er geen andere buitenlanders.
In de avond liepen we de straat voor ons hotel uit tot we bij een tempel kwamen, maar die was niet echt bijzonder. Weer buiten gekomen om terug te gaan liep Tim de verkeerde kant uit. Ondanks mijn tegenwerpingen bleef hij vastberaden doorlopen. Ik bleef hem een poosje volgen maar begon me af te vragen hoe lang ik daar mee door moest gaan voordat ik hem aan zijn lot overliet. Gelukkig begon hij al snel te twijfelen en kwam hij tot inkeer. Zonder mij was hij het onbekende China ingelopen zonder kaart of taal.
De volgende dag met dwarrelende ingewanden door drukke, grauwe straten gelopen. In zijstraatjes waren marktjes, nat en modderig, met groenten en de meest vreemde stukken vlees van visachtigen, van inktvisjes tot een kanjer van zo'n anderhalve meter. Het was druk met kopers, in groene en blauwe Maopakjes en petjes, maar ook in westerse kledij.
We liepen omlaag in de richting van de rivier, en kwamen door heel oude buurtjes met kleine, gammele huisjes van steen en hout, smalle steegjes met trappen op en neer, met mensen zittend of kokend met pannetjes, en oude mannetjes in het blauw die Mahjong speelden aan tafeltjes. Alles temidden van moderne flatgebouwen van 4, 6, of 8 verdiepingen, grijs, zwart en somber in het slechte weer. Hier en daar waren lange trappen en railsen met op en neergaande cabines die de rivieroever verbonden met een hoofdstraat hoger op de helling. Een architectonische warboel.
Tezamen met de fabrieken doet het in eerste instantie denken aan het Dickensiaanse Londen, maar zo erg is het natuurlijk niet. Het is eerder een wereld uit de jaren '30 en '40, met het grauwe, verveloze en ouderwetse dat je met de Grote Depressie associeert.

We zijn een hele tijd bezig geweest kaartjes te bemachtigen voor de boot naar Wuhan, drie dagen verderop aan de rivier, Deze boottocht was in de meeste voor westerse tourgroepen georganiseerde reizen opgenomen vanwege de spectaculaire rotswanden waar de Yangtze zich tussen door wrong. Vandaar dat men ons in de grote hal in het boekingskantoor, op een plein midden in de stad, weigerde kaartjes te verkopen. Daarvoor moesten we in een speciaal boekingskantoortje voor buitenlanders zijn dat aan de andere kant van het plein stond. Er waren vier klassen op de boot, de 2e, 3e, 4e en 5e. De 1e klasse bestond niet. De 2e was voor de tourgroepen. De laagste waarvoor men ons kaartjes wilde verkopen, en dat met tegenzin, was de vierde. En wel voor 37,50 FEC. Vooral de verplichting met FEC te betalen was, nadat ons dit in het Huixan Hotel was overkomen, onacceptabel. Terug dus weer naar de grote hal, met lange rijen voor de loketten, en onbegrijpelijke routeschemas tegen de wanden erboven. We probeerden Chinezen een Chinees kaartje voor ons te laten kopen met een commissie voor henzelf, maar of ze begrepen ons niet, of ze durfden het niet.
We hingen er een poos rond in de hoop dat de zwarte markt óns zou vinden, maar er gebeurde niets. Tim moest ook nog FEC voor RMB wisselen, maar toen hij iemand gevonden had die met hem wilde ruilen, bleek die dat 1 om 1 te willen doen. Hij had nog nooit gehoord van de zwarte wisselkoers, die hier 1,5 moest zijn. We slenterden onverrichterzake weer naar buiten. Daar werd onze vasthoudendheid beloond. We zagen plotseling een westerling staan. Het bleek een Amerikaan te zijn die samen met zijn Chinese vrouw op reis was. Hij had lang zwart haar en een te grote jas aan. Ze waren beide in de twintig en hadden iets met film te maken. De Chinese had een document bij zich waarop stond dat zij drie 'foreign guests' onder haar verantwoording had. Twee meer dan ze nu had, dus kon ze voor ons twee kaartjes in de vijfde klas kopen, wat ons ieder 28 RMB kostte, ongeveer 9 gulden.

Naderhand aten we met zijn vieren in een restaurantje in een druk en gezellig straatje. De Chinese bestelde een aantal lekkere gerechten voor ons. Het gesprek ging onder andere over de vraag hoe veilig China was om in te reizen. Tim en ik dachten dat de kans dat je beroofd werd erg klein was, gezien de voorzichtigheid waarmee buitenlanders overal behandeld werden, maar de zwartharige Amerikaan kwam met een verhaal van een westerling die in de rij voor een loket stond en een Chinees die was voorgepiept terugtrok, en vervolgens door de man, die een bokser bleek te zijn, tegen de vlakte werd geslagen. Tim zei dat de enige stad waar hij ooit bang was geweest om 's nachts over straat te lopen Amsterdam was. Ik zei dat Amsterdam weliswaar vol zat met allerlei soorten freaks, maar dat die voor het merendeel volstrekt ongevaarlijk zijn. Waarop de Amerikaan vertelde hoe hij in Amsterdam per ongeluk in een drugsdeal was gelopen en voor een stille werd gehouden. Ze wilden hem onder dreiging van een pistool een auto in sleuren maar hij werd net op tijd gered door de politie.
De nacht voordat de boot vertrok konden we er al slapen voor 2 RMB. We sliepen in een van de grote slaapzalen op het onderste dek, op gelijke hoogte met de waterspiegel. Een T-vormige ruimte met 36 stapelbedden van drie boven elkaar. Om de 12 zijn ze afgescheiden door een tussenschot. In totaal dus 108 Chinezen en wij. We lagen aan het eind van een van de deelruimtes bij de deur, in twee bovenbedden naast elkaar.
De volgende ochtend vroeg voer de boot de rivier op. Liggend op bed noteerde ik:
'Sommige Chinezen liggen op bed te slapen of te lezen, anderen zitten op de onderste bedden met spelletjes tussen zich in op de grond. Op een gegeven moment lag het hele gangpad vol met spelletjes. Chinees schaken (met schijven op een stuk papier), mahjong, kaarten (met langwerpige kaarten waarmee combinaties moeten worden gemaakt) en go. Wij spelen op dezelfde manier backgammon, waar Tim verslaafd aan is. Hij wint altijd. Ik slaag er maar niet in de juiste taktiek te doorgronden, hoewel hij het steeds uitlegt.
Iemand zit een ananas te schillen. Een vrouw staat tegen een stapelbed geleund te breien. Alles is toch zeer beschaafd, hoewel het vijfde klas is en erg goedkoop. De mensen zijn niet primitief. Als ik dit met India vergelijk...
Chinezen zijn nieuwsgierig en staren, maar willen tegelijkertijd doen alsof ze niet geÏnteresseerd zijn. Als je terug kijkt kijken ze gauw weg, in tegenstelling tot Indiërs. Soms word je aangesproken met Engelse frasen door mensen die hun gebrekkige kennis van het Engels in de praktijk willen brengen. Ze hebben meestal moeite met de uitspraak en zijn nauwelijks verstaanbaar.
Boven in het schip, in de tweede klas, zit een tourgroep van zo'n 50 Fransen, die je echter zelden ziet. Hun gedeelte van het schip is afgesloten van de rest.
Tim vraagt of ik mijn dagboek in het Engels schrijf of in het Nederlands, en of ik Engels of Nederlands spreek als ik een andere Nederlander ontmoet.
Het landschap dat buiten voorbij glijdt is nog niet zo interessant. Hier en daar industrie tegen en op de rotsachtige heuvels. Fabrieken die hun afval in de rivier lozen, veel groen, ook akkerbouw.'
17 april, Yangtze

Gisteravond legden we om kwart voor tien aan in Wanxian, waar het schip tot de volgende ochtend zou blijven liggen. Iedereen ging de wal op om wat rond te struinen. Via een lange, smalle trap liepen we van de kade omhoog naar een straatje, waar men zich had ingesteld op het nachtelijk bezoek van bootpassagiers. Aan weerszijden waren straatrestaurantjes met voedsel en snacks, en stalletjes met geverfde stenen, zeker de plaatselijke handicraft. De straatjes verderop waren donker en verlaten. Ik kocht een Chinees kaartspel voor 1 yuan, en Tim een schaakspel en een mahjongspel. De vele lichtjes en de wandelende en etende mensen gaven het straatje een gezellige beslotenheid.
Toen weer terug naar de boot en in bed gekropen. Ik had mijn rugzak en de gangsterhoed die ik in Lhasa gekocht had zodanig onder mijn dekens gelegd dat het leek of ik er sliep, om te voorkomen dat er iets gestolen werd. De Chinezen waren er ingetrapt en moesten lachen toen de waarheid onthuld werd. Ze dachten dat ik ziek was geworden of al dood was, en hadden dat blijkbaar niet durven controleren.

Vandaag zijn we door de 'gorges' gevaren. De eerste keer was het donker en regenachtig en hadden we geen goed zicht op de rotsen. De tweede keer scheen de zon maar was het op een afstand al snel mistig. Toch waren ze mooi, met op de horizontale vlakken donkergroene struiken en gras. Tegelijkertijd vielen ze tegen. In mijn fantasie hadden ze bestaan uit grillige rotspieken omsluierd door een geheimzinnige mist, met op de top een paar delicate boompjes en een tempel, zoals op prenten te zien is. De werkelijkheid was nogal alledaags. De mist was niet geheimzinnig maar hetzelfde als in Nederland, hij belemmerde gewoon het zicht.
Hetzelfde was het geval met de steden in China. Waren die in mijn verwachting (op niets meer gebaseerd dan op sprookjes als de prins en de nachtegaal) wonderbaarlijke plaatsen van paleizen en gouden paviljoenen, in werkelijkheid waren ze saai, grijs en eenvormig.
Om half drie waren we in de sluizen. Hoewel de Chinezen er zo trots op waren dat ze allemaal aan dek kwamen om er naar te kijken, waren ze in vergelijking met de Deltawerken niets bijzonders. Vlak achter ons bleek een andere veerboot te zijn die ook de sluis binnen voer. Honderden Chinezen hingen over de relingen van de verschillende dekken en keken toe hoe de schepen naast elkaar kwamen te liggen.
Ook dit schip bleek een tourgroep aan boord te hebben, die, net als de onze, gesegregeerd op het bovenste en voorste deel van het schip zat. Daar waren de luxe hutten en een aparte eetzaal, waar geserveerd werd door kelners, terwijl wij tickets moesten kopen en zelf ons voedsel moesten bemachtigen in de kantine. Gisteren maakte 'onze' tourgroep een excursie door het schip om naar de Chinezen te kijken, en kwam ook langs onze slaapzaal. Ik vroeg me af wat ze van ons dachten. Zij hebben voor relatief weinig geld een luxueuze vakantie in een ver land, maar ondanks onze problemen met vervoer en overnachting, die eigenlijk ook wel leuk zijn, geeft ons reizen temidden van de massa's ons een veel echtere ervaring. Het is de juiste manier van reizen.

De diarree is weer helemaal terug. Verscheidene malen begeef ik me naar het gemeenschappelijk toilet om de boel eruit te plenzen. Fijn tussen de Chinezen. De gaten in de vloer worden door niet meer dan plastic schotjes van een meter hoog van elkaar gescheiden. Sommige Chinezen slaan me belangstellend gade. China is geen goed land om diarree te hebben. Ik heb ook een vieze smaak in mijn mond, ik hoop dat ik geen koorts krijg.
Tegen de avond, na het eten in de kantine, rollen alle Chinezen hun broekspijpen op tot hun knieeën. Aangezien hier geen enkele reden voor is irriteert het me. In de wasruimte wast iedereen zijn gezicht en handen en poetst zijn tanden. Daarna beginnen de spelletjes.
17.30 uur. Liggend op mijn bovenbed kan ik door het kleine raampje bij het hoofdeinde de rivier zien. De oever is donker en trekt zich steeds verder terug. De lucht is grijs.
19 april, Yangtze

De derde dag van de reis gebeurde er niets en was er aan land niets te zien. Tim ging 's ochtends om 8 uur aan land in Yueyang om van daaruit naar Guilin en Yangshuo te reizen. Daar zouden we elkaar wel weer zien. Het was een koude en regenachtige dag en ik lag voornamelijk binnen te lezen. Om 5 uur kwamen we in Wuhan aan. Ik had nog net tijd om een kaartje naar Shanghai te kopen in het boekingskantoor aan de overkant van de straat, maar ik kon pas de tweede dag weg, zodat ik een dag in Wuhan door moest brengen.
Ik liep wat langs de kade op zoek naar een hotelletje. Een paar honderd meter verder was er een. Tim was al eerder in Wuhan geweest en had verteld hoe moeilijk het hier was om in een ander dan het dure overheidshotel te overnachten. De drie mensen die bij de receptie zaten twijfelden of ze me toe zouden laten. Ik liet mijn kaartje voor Shanghai zien, als bewijs dat het maar voor twee nachten was. Ze praatten er een poosje over, en toen bracht een van de drie me naar een ander hotelletje, dat zich op een van de dokken bevond. Dok 15, nota bene het dok van waar het schip naar Shanghai zou vertrekken. Ik betaalde er 9 RMB voor. Er waren zelfs douches, en hoewel ze eruit zagen alsof ze reeds lang geleden in onbruik waren geraakt bleek ik er een heerlijke warme douche te kunnen nemen.
's Avonds was het erg lawaaierig van de af en aan komende veerboten. Liggend onder mijn donzen dekens luisterde ik naar het vreemde rommelen en bonzen van bewegende schepen en naar het geluid van de duizenden voetstappen van passagiers. Later op de avond werd alles gelukkig rustig.
De volgende ochtend heb ik alsmaar in de stad rondgelopen, door winkelstraten en achteraf marktjes, hetzelfde als overal. 's Middags probeerde ik de Wuyan tempel te vinden maar ik had de loodzware Lonely Planet gids, die iedereen 'het groene boek' noemde, niet meegenomen en had het stadskaartje verkeerd onthouden, zodat ik een tijd lang heen en weer liep in een troosteloze buurt zonder de tempel te vinden. Ik was er echter vlak bij, en toch wist niemand waar ik het over had als ik er naar vroeg. Wel werd ik door iedereen uitgebreid nagestaard. En dan te bedenken dat ik die ochtend nog aangesproken werd door een jonge, westers ogende Chinees die zich voorstelde als een 'individual guide'. Voor 2 yuan wou hij me de Wuyan tempel laten zien. Had ik het maar gedaan. Wat ik wel gevonden heb was een stom parkje met rotsjes in vijvertjes en namaaktempeltjes met videovoorstellingen en een speeltuintje. Het groene boek, zo genoemd vanwege de foto van een groen landschap op de voorkant en dat eigenlijk 'China, a travel survival kit' heet, is overigens van weinig nut omdat veel informatie niet klopt of verouderd is.

's Avonds had ik weer denderende koorts. Het weer is inmiddels omgeslagen naar erg warm. De diarree begint wat minder te worden maar ik voel me moe en zwak. Ik loop nu al vanaf Kathmandu te kwakkelen, zeker 6 weken. Ik wou dat ik nou eens helemaal beter werd.
Vandaag stapte ik, na aan de wal wat dumplings gegeten te hebben, om twaalf uur van dok 15 aan boord van de boot naar Shanghai. Ditmaal is de vierde klas de laagste klas, en ik kon er zonder moeite een Chinees kaartje voor kopen voor 17,50 RMB. Weer een slaapzaal met drie bedden boven elkaar. Ik lig weer in een bovenbed. Ik heb met reizen in China toch veel geluk gehad. Weinig problemen, snel en goedkoop, heel anders dan de verhalen van iedereen.
Chinezen hebben toch wat onhebbelijke trekjes. Ze lijken wel modern, maar dat is in sommige opzichten een dun laagje. Ze gooien afval gewoon vanaf de boot de rivier in, en wat erger is, ze spugen in het water, zodat je een verdieping lager moet oppassen dat je geen klodder op je hoofd krijgt. Zelfs sommige vrouwen spugen. Eerst een uitgebreid rochelen, dan spettert er een klodder tegen de grond. Soms laten ze het langzaam uit hun mond druipen. In iedere hotelkamer staat een pot om in te spugen.
Ook praten ze op een luide, kwetterende toon, alsof iedereen doof is. Radio's, ook in de bus of de trein, staan altijd oorverdovend hard en worden nooit uitgezet. Ze observeren je ongegeneerd. Pas als je uitgebreid terugkijkt schijnen ze zich te realiseren dat je ook een mens bent, en geen buitenaards ongeïdentificeerd voorwerp. Maar zo heeft ieder volk zijn eigenaardigheden zullen we maar zeggen. Ze hebben allemaal jampotjes bij zich waarin heet water zit dat overal te krijgen is, ook op de boot. Wat theebladeren erbij en het dekseltje erop, en je bent altijd voorzien van thee.
24 april, Shanghai

Na die eerste keer in Wanxian stopten de boten op de Yangtze 's nachts niet meer. De rivier werd al snel na de gorges steeds breder en rustiger. Toen we in de namiddag van de 20e Shanghai naderden was de rivier zo kalm als een meer, onder een overdekte lucht. Af en toe zag ik kolonnes aan elkaar vastgemaakte vrachtboten met een duwboot erachter langs glijden.
De boot meerde af aan de Bund, de boulevard van Shanghai, met er langs de grote stijlvolle gebouwen die westerse handelshuizen er in de dertiger jaren hebben neergezet. In de verte zag ik het enorme silhouet van de Shanghai Mansions, waarvan een foto in het groene boek stond. Er vlak naast moest het Pujiang Hotel zijn, een overheidshotel, dat volgens Tim het goedkoopste hotel in Shanghai was. Ik stapte op een bus die die richting uitreed, en tien minuten later stond ik voor de balie van het hotel en betaalde 19 FEC voor een plaats op een slaapzaal vol met individuele westerse reizigers, inclusief ontbijt in de grote eetzaal op de tweede verdieping.

Ondanks de associaties die de naam oproept is Shanghai tegenwoordig een stad als alle andere Chinese steden die ik tot nu toe gezien heb. Er zijn wat meer warenhuizen, wat meer dingen te koop. Er is een uitzondering: de kolossale gebouwen uit de tijd na de opiumoorlogen, toen China gedwongen werd handel te drijven met het Westen, en handelsondernemingen, banken en rederijen zich in Shanghai vestigden. Deze gebouwen herbergen nu overheidsinstellingen en hotels.
De enige poging die men heeft gedaan om, wellicht voor de toeristen, de glamour van het oude Shanghai terug te brengen, is de Jazzbar in het Peace Hotel. Een jazzbandje van oude Chinezen zit in een halfverlichte ruimte met tafels en stoelen en lichtbruine wanden met hier en daar traliewerk. De gasten zijn geen bankdirecteuren en RAF officieren maar tourgroep toeristen, enkele backpackers en enkele Chinezen. Ik zat hier met Laurens en een Amerikaan, die ik de dag tevoren op de Nanjing Donglu tegenkwam. Laurens, die een jaar aan mijn universiteit gestudeerd had, had ik voor het eerst in Delhi ontmoet, in januari, en toen een maand later weer in het Red Shield Hostel in Bombay. Hij was inmiddels vanuit Calcutta naar Bangkok gevlogen, was twee maanden in Thailand en Maleisië geweest, en was nu vanuit Guilin op weg naar Peking voor de Trans-Siberië expres. Een onwaarschijnlijke ontmoeting aangezien ik een heel andere route gevolgd had.
's Avonds aten we in het restaurant van het Peace Hotel voor 10 RMB. Natuurlijk moesten we in FEC betalen maar we deden of we dat niet hadden. Omdat we het eten al op hadden moesten ze knarsetandend de RMB accepteren. Daarna dronken we Shanghai Cocktails in de Jazzbar, met een stuk appeltaart erbij, voor 26 RMB.
Het Shanghai museum, met Chinese oudheden, was de moeite waard. Het Jinjiang Metropole Hotel, ook vaak aangeprezen, was niets bijzonders.
's Nachts stond ik op het dak van de Shanghai Mansions en zag de lichtjes van de stad. De verlichtte geulen van straten, de zwarte rivier met de schepen langs de kade en de kranen. De sterrenhemel was naar beneden gevallen. Ik ben van ver gekomen, van de Noordzee naar de Chinese zee.
Vanavond om 21.53 uur moet ik in de trein naar Guilin zitten. Twee dagen later, om 7.48 uur, zal ik daar aankomen.


