Koninkrijken in het zand
- 5 jun
- 16 minuten om te lezen

Ik sta in de deuropening van de trein van Jodhpur naar Jaisalmer, en kijk naar het zand dat vlak voor mijn voeten voorbij raast. Ik denk dat ik er af zou kunnen springen zonder me al te veel te bezeren, zo langzaam rijdt de trein. Het is een oud boemeltreintje dat rijdt op smalspoor. Hij boemelt kreunend en knarsend en zeer alleen door een onmetelijke woestijnvlakte, waarin wat cactusplanten te zien zijn en verder alleen ruw bruin gruizel voor zover het oog reikt. De horizon is een strook stoffige nevel, die geleidelijk overgaat in een diepdonkerblauwe lucht waarin de hele dag de zon brandt als een laaiend vuur.
De deuren van de trein kan je zo open zetten. Veiligheidsregels, als ze er zijn, zijn er niet om nageleefd te worden. Daar is in India geen beginnen aan, dat ziet zelfs een westerling. Er zijn teveel mensen. Ik laat de wind die de trein maakt langs mijn lichaam lopen en kijk de woestijn in. Heerlijk om zo te reizen. Ik maak deel uit van het landschap in plaats van er langs te rijden. Als ik er inspring zou ik achter blijven als een drenkeling en de volgende trein moeten aanhouden, en die zou misschien nog stoppen ook. En zo niet dan zou ik gedoemd zijn mijn leven te slijten in een van de nederzettinkjes van hutten die ik af en toe niet ver van de spoorlijn heb zien liggen. Mijn leven zou omkeren als van dag naar nacht, of het omkeren van een munt. Ik hou me stevig vast aan de deurpost, ik ben op doorreis, dat is maar net het verschil.
De trein voelt als een levende machine, en ik voel de wind en de zon. Ik zie het land voorbij trekken. Momenten als deze zou je vast moeten kunnen houden om ze steeds weer opnieuw te beleven. Een poosje later komt de trein langzaam tot stilstand, maar we zijn nergens. Iedereen denkt dat hij zo wel weer verder zal rijden maar er gebeurt niets. Dan beginnen mensen aan de schaduwkant uit te stappen en gaan in het zand zitten of lopen wat heen en weer. Ik loop van de trein weg naar de rand van de schaduw, en dan er overheen. Ik loop de woestijn in, maar houd een vage, ongegronde angst dat de trein zonder mij weg zal rijden. Ik stop bij een grote dofgroene cactus, mager maar taai, die onverzettelijk stoptekens geeft met zijn armen. Nog nooit heeft hij een mens zo dichtbij gezien. Ik raak hem aan en kijk terug naar de gestrande trein en zijn passagiers. Kleine jongetjes verkopen vruchten. Er komen nog meer mensen naar buiten, en anderen stappen weer in. De trein beweegt niet en maakt geen geluid. De locomotief staat uitgeput op de rails. Hij is pikzwart en ziet er geblutst uit. Op de kolenwagen zit een gestalte met een houweel op de kolen te hakken.
Een groepje mannen in uniform is naar de telegraafdraden gelopen die parallel aan de rails in de lucht hangen. Een van hen klimt met een ladder tegen een paal naar boven om de draden van een zwart, vierkant telefoontoestel aan de telegraafdraden te koppelen. De anderen zitten gehurkt rond het zwarte kistje en proberen contact te krijgen met de wereld. De schaduw kruipt langzaam verder weg van de trein. Neemt bezit van een stukje woestijn, alsof de trein hier nu permanent zal blijven staan. Ik ga in het zand liggen en overpeins mijn belevenissen in Rajasthan.

Jaipur was een heksenketel. Alle gebouwen waren er rood geverfd. Dichte stromen voertuigen in alle soorten en maten trokken door de smalle straten en onder de rode stadspoorten door. Nog meer dan in Delhi had ik de indruk me niet alleen in de ruimte verplaatst te hebben maar ook in de tijd. In welke tijd Jaipur bestond was moeilijk te bepalen, waarschijnlijk in verschillende tegelijk. Het treinstation was de jaren dertig, overal venters en dragers, riksjarijders, taxichauffeurs en gidsen die de aankomende reizigers aanklampten om hen mee te voeren naar bekende en onbekende bestemmingen. De krioelende massas op de perronnen en in de stationshallen deden denken aan vluchtelingen voor een dreigende oorlog. Gillende stoomlocomotieven kwamen binnenstampen met beroette machinisten en stokers hangend uit de raampjes. Zoveel andere dingen waren jaren veertig of vijftig: mijn hotel, de auto's, de stadsbussen, de winkeltjes; alles was wat groezelig, ouderwets en versleten.
In de straten kon je je in de middeleeuwen wanen. Heel het menselijk leven in al zijn geheimzinnige variëteiten was hier permanent in koortsachtige beweging. Mensen duwden hun karren koopwaar op fietswielen, zware buffels trokken brede karren op autobanden. en hier was ook de kameel ingeschakeld als trekdier, onelegant en scharminkelig, hun kwaaie koppen uitstekend boven het tumult. Vreemd genoeg hoorden hier de ronkende vrachtwagens, de auto's en de scooters ook in de middeleeuwen thuis.

Ik kon er geen tien minuten lopen zonder een van de jongens tegen te komen die je naar een winkel met "handicrafts" mee wilden tronen. Al snel zag je ze van ver aankomen, spiedend naar toeristen, maar dan was het al te laat om te ontsnappen. Lijdzaam liet je het inleidend ritueel van een geïnteresseerd praatje over je heen komen:
- Which country you belong? -
- What is your name? What? Young? Funny, you are young and your name is Young.-
- What is your profession? -
En soortgelijke vragen, die steevast leidden tot de uitnodiging om te komen kijken in de juwelierszaak van hun oom, de schildersschool waar ze studeerden, of zelfs een tempel. Dan begon een lange afwimpelingsprocedure. Omdat ze voor alles wat je in de betreffende winkel kocht een commisie van 20 tot 30 procent kregen was het niet gemakkelijk van ze af te komen. Als je wat wilde kopen, en er waren zeker schitterende dingen te koop voor weinig geld, moest je zorgen zonder een dergelijke figuur in je kielzog de winkel van je gading binnen te komen.

Voordat de Maharadja van Jaipur een paleis in Jaipur liet bouwen woonde hij in het Amber Fort, een eindje buiten de stad. Een mannetje met een motorriksja zou me voor 30 rupees alles laten zien.
Langs de weg naar Amber lag het verlaten Apenpaleis. Een complex van mooie kleine, marmeren, open tempelgebouwtjes, sprakeloos in de hitte. Het zand tussen de gebouwtjes zat vol met holen van grote woestijnmuizen, de enige bewoners. Wat vroeger ook het belang was geweest van deze plaats, nu was hij verwaarloosd en vergeten. Hetzelfde gold voor het Waterpaleis in de verte, over een drooggevallen meer heen te zien. Een vierkant gebouw met torentjes dat vroeger midden in het water stond. Het water heeft zich sindsdien teruggetrokken naar achteren en vanaf de weg loop je er door lang groen riet naar toe. Naar rechts was een groot open terrein waar jongens cricket speelden. Binnen was niemand, ook dit was vergane glorie, hier en daar afbrokkelend en vergruizelend. Deze gebouwen zijn de overblijfselen van een rijk en glorieus verleden, waarin Maharadjas een schitterend paleis in een meer konden laten bouwen, alleen om er 's middags thee te kunnen drinken. In de tegenwoordige Indiase maatschappij, met zijn chaos van ontwikkeling en stagnatie, zijn het exotische en onbruikbare dingen langs de kant van de weg.
Verder langs de weg passeerden we een bruiloft, met een muziekcorps en vrouwen in prachtige sari's, en twee keer een groepje zingende dorpsvrouwen gekleed in fel gekleurde gewaden.

De riksja reed een heuvel over en daar verrezen de muren van fort Amber tegen een heuvelhelling aan de overkant van een droge rivierbedding. Verscheidene muren boven elkaar, en dan het majestueuze, goudkleurige fort zelf, dat met zijn ornamentele ramen, balkonnetjes, torentjes en poorten een sprookjesachtige verschijning was. Nog hoger, op de erachter liggende rots, stonden de muren van een ouder fort, mischien nog wel groter, maar zonder het ornamentele en artistieke van het nieuwe. Voor het fort bevond zich een kunstmatig meertje en een geometrische tuin. Het was zowel een fort als een paleis, met binnen prachtige zalen, gangen, trappen, binnenplaatsen en een tuin vol met bomen met schitterende paarse bloemen. Er waren wijdse uitzichten over de rotsen rondom, waarover lange, merendeels intacte verdedigingsmuren liepen. Aan de achterkant de half geruïneerde vertrekken van de bedienden, eens vol met leven en rumoer, nu doodstil in de zon. Erachter, in het dal, vele verlaten en ingestorte gebouwen. De tegenoverliggende rotshelling, met een muur over de top, en links de muren en een grote poort van het oudere fort, was bedekt met gruizel en kleine, kale boompjes. Hier en daar de ruïne van een huis en naar beneden gerolde stenen.
Vanaf de centrale binnenplaats konden toeristen ritjes maken op geverfde olifanten, met deinende, versierde platformpjes op hun ruggen, zoals in de tijd van de Maharadjas en de Britse jagers.

In Jodhpur, een halve dag reizen verder, waren alle huizen blauw geschilderd. Vanaf het machtige fort, dat over de hele omtrek van een grote rots was opgetrokken, zag je het hele labyrinth van blokkendooshuisjes en steegjes tegen de roodbruine, kurkdroge rotsgrond uitgespreid liggen. Urenlang zat ik in een schietgat in de dikke muur over de stad uit te kijken. Door mijn telelens zag ik vrouwen die op de platte daken de was uithingen, of boontjes dopten, of op hun houten bedden met elkaar zaten te praten. Af en toe flitsten er grote, stille gieren voorbij het schietgat, die dan traag boven de stad uit zeilden en in een wijde cirkel weer terug kwamen naar hun nesten in de muren. In de diepte zag ik het kleine pleintje met de klokkentoren waar ik die ochtend nog langs de handkarren met vruchten en groenten gelopen had.

Op de slaapzaal van mijn hotelletje was een andere gast, een Indiër met een kapotte onderbroek, die vertelde dat hij nu alle interessante streken van India in zijn vakanties bezocht had, behalve Rajasthan. Daarna zou hij zich op het buitenland moeten richten. Het was een mager, zenuwachtig mannetje, wiens handen trilden als een strak gespannen elastiek. Hij was in zaken in Bombay. Samen liepen we in strak tempo naar het vlak buiten de stad gelegen Jaswant Thada, een paleisachtig mausoleumpje, dat als in een sprookje smetteloos wit in de zon naast een donkerblauwe vijver op het donkerrode rotslandschap stond. Een asfalt weggetje slingerde er naar toe. Voor de ingang zat een eenzame oude man met één been en een krakkemikkig strijkinstrument dat er uit zag alsof het door een kind in elkaar gezet was. Toen hij ons aan zag komen begon hij te spelen, en in het kale, kurkdroge landschap klonk een zachte muziek die zo wonderlijk mooi was dat hij echt uit hemelse sferen leek te komen. Als aan de grond genageld luisterde ik naar de zuivere tonen van de peinzende, net niet treurige melodie. De muziek hing als een sluier in de stille, hete lucht. Het leek een illusie. Ik wilde die muziek eigenlijk niet verlaten, maar de Indiër wilde weg. Dus liepen we door naar een complex van oude Hindu tempels, eens het middelpunt van religieuze ijver, nu verlaten en een beetje verwaarloosd temidden van onverwacht weelderige bomen en kronkelige paadjes. Ook hier was niemand. De warmte en de stilte gaven de in de steek gelaten bouwwerken een onwerkelijke sfeer. Er was een klein restaurantje zonder klandizie.

Het bleek dat de Indiase toerist zoals een Amerikaan zoveel mogelijk wilde zien in zo weinig mogelijk tijd, dus gingen we er al weer snel vandoor, op weg naar het fort.
We liepen door stoffige buitenwijken van Jodhpur, vol met rommel. Aangezien we van hieruit het fort niet konden zien, vroeg de Indiër zo nu en dan de weg aan plaatselijke neringdoenden, maar we werden volgens hem opzettelijk misleid, zonder dat hij daar een reden voor kon aangeven. In plaats van door de stad heen te lopen namen we daarom de hoofdweg, die om de stad heen leidde, en zodra we het fort boven ons zagen oprijzen sloegen we een smal weggetje in dat ons slingerend tegen de rots op voerde.

In stevige pas liepen we naar boven, af en toe gepasseerd door een knetterende riksja met fortbezoekers, die ons achterliet in een blauwe wolk uitlaatgassen. Het uithoudingsvermogen van de Indiër verbaasde me. Die ochtend was ik bang geweest dat hij onderweg trillend in elkaar zou zakken, maar hij bleek over een onvermoede kracht te beschikken. Hij was daarin representatief voor de meeste Indiërs, die zich in slechte gezondheid met een gedreven, zenuwachtige ijver door het leven spoeden.
Het fort van Jodhpur was anders dan dat van Jaipur. Het was veel ruiger. Het leek een roversnest dat brutaal uittorende boven het stadje, afgetekend tegen de donkerblauwe lucht. Binnen de muren was er plotseling weer een paleis. Marmeren vloeren, mozaïeken, schilderijtjes op zijde en papier, en tentoongestelde kostbare sieraden en gewaden, draagstoelen, en een oud model Rolls Royce. Het fort was zo groot dat het niet helemaal begaanbaar was. Door middel van bordjes, opgehangen bij een donkere gang of bij een labyrintisch stelsel van gangetjes en trappen, werd het afgeraden deze plaatsen te betreden. Nadat we ons hadden laten rondleiden in een internationaal gezelschap van jonge reizigers en Indiase toeristen stond de Indiër alweer in de startblokken om naar een nieuwe bezienswaardigheid te snellen, maar ik zei dat ik toch liever achterbleef op het fort om hier de rest van de middag door te brengen. Hij was zichtbaar teleurgesteld, en na mij nogmaals op het hart gedrukt te hebben geen etenswaren van kraampjes langs de weg te kopen, zoals ik onderweg had willen doen, liep hij de trappen af naar de grote poort en verdween.
Ik liep helemaal naar de andere kant, waar op de uiterste punt van de rots, in de hoek van de bij elkaar komende muren, een klein tempeltje was ingericht. Ik trok mijn schoenen uit en ging in de schaduw van een gat in de muur uit zitten kijken over de stad.

De trein in het zand begint na twee uur onzekerheid weer tekenen van leven te vertonen. Stoomwolkjes schieten uit de pijp van de locomotief omhoog. Er klinken schelle fluittonen, die de passagiers doen opschrikken uit de apathie waarin zij vervallen zijn. Direct klimmen ze in de trein, die, zonder dat ik iets gerepareerd heb zien worden, en zonder dat er hulp is komen opdagen, weer in staat blijkt te zijn verder te rijden. Even later boemelen we weer in slakkegang door de woestijn alsof er niets gebeurd is.
Het is al donker als de trein eindelijk tot stilstand komt in een anoniem stationnetje waaruit hij voorlopig niet meer wil vertrekken. Ik neem aan dat dit Jaisalmer is, het einde van de lijn, en loop met iedereen naar buiten. Daar worden we deze keer niet opgewacht door riksjas maar door jongens in Japanse landrovers, die snel de westerse rugzaktoeristen verzamelen om hen naar hotels te brengen. De oogst is gering, behalve ikzelf, het Israelische paar Miko en Gila, die ik al ken vanaf Jaipur, en twee Duitse jongens die fotograferen voor een blaadje, en voor wier camera niets en niemand veilig is.
We stappen in een landrover. Naar welk hotel willen we? Het New Fort View Hotel? We weten echter dat dit een bouwvalletje aan de rand van de stad is, waarvan de naam bedoeld is om in het donker arriverende argeloze reizigers die naar het populaire Fort View Hotel willen op een dwaalspoor te brengen, zodat ze daar tenminste een nacht door zullen brengen in onwetendheid, om dan de volgende ochtend tot de ontdekking te komen dat ze geen zicht op het fort hebben maar op een serie slecht onderhouden bouwsels langs een grindweggetje.
Dan worden er kaartjes naar achter door gegeven. 'Benignly requested to visit hotel Rama Guest House'. 'Highly recommended by India a travel survival kit'. Dit laatste is geen doosje malariapillen en pleisters maar de bijbel van de individuele reizigers, waarin vele goedkope overnachtingsmogelijkheden en interessante bezienswaardigheden zijn genoteerd door de Australische uitgeverij Lonely Planet.
De Lonely Planet gids kan een business maken of breken met een simpele opmerking als: 'a friendly place' of 'swarming with cockroaches'. Miko en Gila en ik besluiten naar de plaatselijke Tourist Bungalow te gaan. Een hotelletje van een door de overheid gerunde keten die lage prijzen aan goede kwaliteit en hygiène koppelt. Een bed in de slaapzaal is maar 12 rupees, oftewel 1 gulden.

De woestijn begint onder mijn raam, zoals ik de volgende ochtend zie als ik wakker wordt. Grijsbruin, gruizelig zand loopt weg naar enkele duinen verderop. De Tourist Bungalow staat aan de rand van het moderne Jaisalmer, wat echter een zeer klein stadje blijkt te zijn. Dichtbij verheffen zich de zandkleurige muren van de oude stad, met om de vijftig meter een toren.
Over een ongeplaveid weggetje loop ik geleidelijk naar boven door wat nauwe straatjes met hotelletjes en restaurantjes naar de grote stadspoort, die meer op een kasteelpoort lijkt. In feite is de hele oude stad een groot fort, met hoge, dikke muren op een natuurlijke verhoging in de woestijn. De straatjes zijn smal en de pleintjes klein. De goudkleurige huizen, warm in de zon, zijn schitterend gebeeldhouwd met delicate versieringen. Het zijn huizen gebouwd voor rijke kooplui van de Jain religie. Een religie die, net als het Protestantisme, door zijn ascetisme en spaarzin een ideale voedingsbodem biedt voor handel en kapitalisme.
De tijd van handel, de tijd van de karavanen, is voorbij, en de wereld heeft Jaisalmer een poos links laten liggen, geïsoleerd als het ligt midden in de woestijn in een nu arm land. De rijkdom is vergaan, een deel van de huizen is vervallen tot ruïnes, verlaten door de bewoners. Lege hulzen nu, met gapende ramen en afbrokkelende muren, de straatjes vol gruizel.

Met echter nog een draai van het lot maakt Jaisalmer sinds kort weer een opleving door. Zijn strategische ligging vlak bij de Pakistaanse grens heeft legeractiviteiten aangetrokken. Net nu, januari 1987, gaat er een vlaag van wapengekletter over het grensgebied. India heeft hier een grote militaire oefening aangekondigd, en Pakistan trekt dus aan de andere kant van de grens zijn troepen samen.
De andere stimulans voor de plaatselijke economie is het toerisme. Het stadje, dat ieders fantasie en de sprookjes van duizend en één nacht overtreft, is ontdekt door de wat avontuurlijk ingestelde toerist. Vandaar de aanwezigheid van ettelijke goedkope hotelletjes en restaurantjes, en bureautjes die kamelentochten door de woestijn organiseren. Dit alles bevindt zich echter buiten de stadsmuren. Er binnen dool ik door de nauwe steegjes en over in zonlicht gedrenkte pleintjes, en zie een Jain tempel, waarvan iedere vierkante centimeter gesculpteerd is. Binnen zijn in het halfdonker kleine, geheimzinnige ruimtes en trappen en een door duizenden voeten gepolijste stenen vloer. Weg van het centrum worden de huizen nog kleiner en de straatjes nog nauwer, totdat ik over de vlekkeloos schoongeveegde erfjes van piepkleine lemen dorpshuisjes loop. De huisjes zijn wit of bruin. Op sommige erfjes ligt een koe. Mensen zijn er, zoals in heel Jaisalmer, niet zo veel te zien. Ik loop tussen de huisjes door, klim ergens op, en plotseling sta ik boven op de stadsmuur en zie voor me het hete, bruine landschap liggen dat bij de horizon met een wazige, viesgrijze strook overgaat in een diepblauwe lucht. De zon bonst op mijn hoofd.

Wat later sta ik in het kantoortje van het Fort View Hotel (het echte dus) om informatie in te winnen over de kamelentochten. Aan de wanden hangen landkaarten met uitgestippelde routes en foto's van hoge zandduinen met een landrover er voor. De eigenaar van het hotel, met een zware bril op een verstrooid uitziend gezicht, zit achter een bureau. Hij hoort een Amerikaanse vrouw van middelbare leeftijd aan, die wil dat hij een zitplaats voor haar reserveert in de trein naar Jodhpur van morgen. Ze wil niet geloven dat dat niet mogelijk is.
- Ik ben al een hele poos in India en ik heb gemerkt dat mensen meestal zeggen dat iets niet kan als ze gewoon geen zin hebben. Natuurlijk kunt u reserveren, in heel India kan dat, ik laat me deze keer niet afschepen.-
De man met de bril beweert het tegendeel, maar omdat hij niet verwacht dat de vrouw hem zal geloven klinkt hij niet erg overtuigend.
- Het is inderdaad in bijna heel India mogelijk te reserveren, maar niet op het stuk Jaisalmer - Jodhpur. Het kan gewoon niet.-
De vrouw ziet er wat vermoeid uit, in een kakikleurige bloes en rok, alsof ze de vrouw van een antropoloog in de Olduvai kloof is, maar ze is van plan deze keer ferm te zijn.
- En u denkt dat ik dat geloof. Net dit stuk? De bureaucratie in India is vreselijk inefficiënt en je hebt overal problemen, maar je moet gewoon voet bij stuk houden. Ik ga niet weg voordat u een plaats voor me gereserveerd hebt.-
De Indiër kijkt treurig door de open deur naar buiten en zwijgt, maar op dat moment komt een zojuist binnengekomen Amerikaanse jongen hem te hulp. Hij is niet groot, maar is fors gebouwd, en heeft stekeltjeshaar in de commandostijl. Met een luide, wat autoritaire stem zegt hij:
- Mevrouw, u bent hier niet zomaar in India, u bent midden in de woestijn. Er gelden hier niet dezelfde dingen als elders. Het duurt twaalf uur om in de dichtstbijzijnde stad te komen en dat is al mooi genoeg. Reserveringen en dat soort dingen kunt u vergeten.-
De vrouw accepteert deze op de toon van een bevel gegeven uitleg direct en begint haar spullen bij elkaar te zoeken. De Indiër is nu vrij en vraagt opgelucht waar hij de jongen mee van dienst kan zijn. Deze heeft een ongewone wens.
- Ik wil op een kameel van hier naar Bikaner rijden. Hoe lang duurt dat?-
- Dertien of veertien dagen.- zegt de Indiër verheugd.
- Ik heb twee kamelen nodig. Een voor mezelf en een voor een gids. En de bagage natuurlijk. Is dat mogelijk?-
- Natuurlijk is dat mogelijk. Wanneer wilt u vertrekken?-
- Dat weet ik nog niet. Hoe zijn uw kamelen? Zijn ze sterk? Zijn ze gezond?-
- Als een kameel veertien dagen moet lopen dan kan hij niet ongezond zijn. Natuurlijk zijn ze gezond.-
- OK, dan kom ik morgen zeggen wanneer ik weg wil.-
De vrouw uit de Olduvai kloof zit nog steeds in het kantoortje en luistert geïnteresseerd, net als ik. Dan vraagt ze:
- Heb je al eerder op kamelen gereden?-
- Nooit! Ik wil het eens proberen.-
- Reis je alleen?-
- Altijd alleen!-

De vrouw is onder de indruk van de avontuurlijke jongen, en ik laat ze rustig verder praten. Ik kom nu van de Indiër te weten dat er twee-, drie-, en vierdaagse tochten zijn, maar ik kan nog niet besluiten welke ik zal doen, dus ga ik eerst nog maar wat rondkijken. Ik loop een eindje de stad uit en kom bij een vijver met een spiegel van donkerblauw water. Het is een tank. Een waterreservoir dat al eeuwen Jaisalmer van water voorziet. Aan één kant staan een paar tempelgebouwen. Aan de andere kant is de woestijn. Uit de zandheuvels in de verte komt een kudde geiten naar het water toelopen. Er achteraan komt de herder met zijn hond. Vanuit de schaduw van één van de gebouwen sla ik hun vooruitgang gade. Verder beweegt er niets. De vijandige zon slaat zijn licht op de weerloze aarde. De schaduwen kruipen nog dichter tegen de tempels aan. De hitte houdt alles in een houdgreep, maar aan de overkant bereiken de eerste geiten de vijver, en even later staat de hele groep aan de rand te drinken. Sommige springen erin en plonzen in het water rond, maar ik hoor geen geluid. Links van mij zie ik nu opeens een lange man die gehurkt in de zon zit en peinzend naar het wateroppervlak kijkt. Hij lijkt geen last te hebben van de hitte.
In feite is dit alles ontzagwekkend mooi. Zo stil en puur. Er zijn maar twee kleuren: goudgeel en donkerblauw. Maar ik denk: voor geen geld ga ik in deze hitte vier dagen de woestijn in. En ik besluit terug te gaan naar het kantoortje en me op te geven voor een tweedaagse kamelentocht.
Een paar dagen later, liggend in mijn slaapzak onder ruwe dekens, na een door de rijders geprepareerd chapati maal, kijk ik naar boven en zie de sterren. Zilverstof uitgestrooid over zwart fluweel. Ik zie de hele melkweg en weet nu waarom hij zo heet. Van horizon tot horizon loopt een baan van fonkelende sterren. Het is verassend koud, en ook mijn medereizigers liggen al onder hun dekens. Een Israelisch paar (alweer een), twee Engelse jongens, een Franse leraar en Australische Marc, die ik later weer in Goa zou ontmoeten. De kamelen zitten op de grond en zijn in het donker niet meer te zien. Ik heb nooit geweten dat er zoveel sterren waren.


