Stof en edelstenen

Het marmeren mausoleum stond schitterend wit op het marmeren terras in de donkerblauwe lucht. Perfecte symmetrie in het vierkant, de rechte vlakken van de gevels ingesneden door grote uivormen, die de indruk gaven grote poorten te zijn, maar bij nader inzien kleine deurtjes bevatten, in iedere gevel een, die naar de graftombe beneden leidden. Op de gevels waren versieringen aangebracht van abstracte figuren, gestyleerde arabische lettertekens en ingelegde halfedelstenen. Het dak was een grote koepel omringd door vier kleine koepeltjes. Bovenop de grote koepel stond een spits met daarop een gouden halve maan die glinsterde in de zon.
Slanke minaretten verhieven zich op de vier hoekpunten van het terras. Gekleineerd door de minaretten en het bouwwerk in het midden liepen Indiase en buitenlandse toeristen op sokken en blote voeten heen en weer, maakten foto’s, en verdwenen door het deurtje in de voorgevel naar binnen terwijl anderen weer tevoorschijn kwamen.

De Wit stond aan de rand van het terras tegen het marmeren hekwerk geleund en keek naar de perfecte lijnen en vormen, zijn ogen toeknijpend voor de vloed van licht die van het witte marmer afviel. Het geheel was een in materie getransformeerd ideaal. Door mensenhanden gevormde stenen schoonheid - de Taj Mahal. Wat een hoogtepunt, dacht hij. Als tekenen nog iets te betekenen hebben dan zou er nu iets bijzonders moeten gebeuren. Maar het enige dat hij zag was de Zwitser, Schwartz, die hij in de trein al had ontmoet, en die nu tussen de toeristen door naar hem toe kwam lopen. Aan de doelbewustheid van zijn tred zag De Wit dat hij hem gezien had. In de trein had hij een paar banken verderop gezeten en hem op een gegeven moment gevraagd of hij Duits sprak, en hem vervolgens in luid en duidelijk Duits met een Zwitsers accent gewaarschuwd dat de Indiër die naast hem zat in zijn tas zat te neuzen toen hij even in de deuropening was gaan staan.
Schwartz droeg een lichtbruin, naar grijs verschietend suède jack en een bruine broek van Indiase makelij. Zijn gezicht was glad en regelmatig, met blauwe ogen en kort bruin haar. Toen hij tot een paar meter genaderd was vroeg hij, ditmaal in het Engels:
-En, hoe vind je hem?-
-Schitterend.-
-Mooi he? Ik zie hem voor de tweede keer, en hij is het waard.-
-Ik denk dat ik hier de hele dag blijf om hem te zien in verschillende soorten licht.-
-Ja, hij is het mooiste bij zonsondergang. Dan staat hij in een oranje en rode gloed zodat het lijkt of hij van puur goud is. -
Samen liepen ze op hun gemak over het smetteloze marmer naar de andere kant van de Taj. De Wit zag dat Schwartz op blote voeten liep. Schwartz stak zijn hand in zijn zak en zei:
-Heb je gezien dat de muren vol halfedelstenen zitten?-
Hij bracht zijn hand weer te voorschijn en opende hem. Erin lagen stukjes steen van zo'n twee centimeter groot in verschillende kleuren.
-Hoe kom je daaraan?- vroeg de Wit verbaasd.
-Uitgehakt.-
-Ja?-
-Nee hoor. Aan de andere kant zijn een paar mannen bezig met restauratiewerk. Die steentjes lagen op de grond en ik vroeg of ik ze mocht hebben. Hier heb je er ook een paar.-
Schwartz gaf hem van iedere kleur een steentje. Een groen, een rood, een wit en een zwart, en stak de rest weer in zijn zak.

Ze stonden in de schaduw aan de achterkant van de Taj en keken uit over de Yamuna. De rivier vloeide breed en kalm tussen de droge moddervlaktes, waarop hier en daar stapels afgesneden riet stonden. Een lange rij zwarte buffels liep langzaam naar de rivier om te drinken. Een man liep er achteraan. Verderop maakte de rivier een flauwe bocht en vloeide samen met een zijrivier, wat lichte rimpelingen in de waterspiegel teweegbracht. Daarna stroomde hij weg naar de horizon en verdween in de waas van hitte die boven de vlaktes van India hing.
-Ik wou je vragen wat je van India vindt,- zei de Wit, -maar ik doe het maar niet want die vraag is niet te beantwoorden.-
-Precies,- zei Schwartz, -India is alles. Het is een vreselijk land en een schitterend land. Het is het meest spirituele land ter wereld en het meest materialistische. Je vindt hier alles wat zeldzaam is en ook alle cliché's. Het is een circus, een spektakelshow, een microkosmos, de geschiedenis van de mensheid, en ga zo maar door.-
-Ben je hier al lang?-
-In Delhi een paar maanden. Ik ben er omdat ik in India wil gaan wonen. Ik ben bezig toestemming te krijgen om een stuk land te kopen in Zuid-India waar ik een boerderij wil beginnen.-
-Zo, dat is een avontuur. Krijg je toestemming?-
-Ik denk het wel. De bureaucratie is lastig en traag maar ik zie geen echte belemmeringen.-
-Hoe kom je er bij om zoiets te gaan doen?-
-Tsja, mensen emigreren altijd naar die traditionele immigratielanden als Canada en Australië omdat de levensstandaard daar hoog is. Ik wil bewijzen dat het ook mogelijk is om naar India te emigreren en succes te hebben. En India is honderd keer interessanter dan Australië.-
De Wit realiseerde zich dat Schwartz in een heel andere relatie tot India stond dan hijzelf. Een veel diepere en complexere. Gevormd door jaren. Hij herinnerde zich het gemak waarmee Schwartz was omgegaan met mensen op de stations tijdens de reis naar Agra. Hoe hij soepel converseerde in het gebroken Engels van venters, riksjarijders en taxichauffeurs. Hij bewoog zich zelfverzekerd en opgewekt in een land van hitte en stof en edelstenen, dat zo anders was dan zijn geboorteland.
-Ik heb inderdaad nog nooit gehoord van emigratie naar India. Behalve mischien die hippies die hier zijn blijven hangen.-
-Eigenlijk ben ik ook een hippie,- zei Schwartz, -ik zie er niet zo uit, maar in feite ben ik het wel.-

's Avonds zat de Wit weer in de trein terug naar Delhi. De Taj in een warme gloed van de late middagzon had hij nog gezien, maar de zonsondergang was te laat voor zijn trein van zeven uur.
Hij voelde de steentjes in zijn zak en dacht: ik heb stukjes van een kunstwerk meegenomen, als stukjes van de Nachtwacht. Hij dacht aan Schwartz, die alleen aan zijn nieuwe leven ging beginnen. De trein rolde ratelend over de rails door de nacht. Een van de passagiers had een transistorradio waaruit de treurige, magische monotoon van een sitar klonk. De muziek en de dreun van de trein vulden zijn gedachten terwijl hij naar buiten keek, waar in het donker het vlakke land van Noord-India voorbij gleed.
Een paar uur later reed de trein langzaam de wildgroei van buitenwijken van Delhi in, en stopte dan met een langdurig geknars in een groot station. De Wit stapte uit, en temidden van massa’s mensen begaf hij zich naar de trap van een voetgangersbrug over de perrons. Terwijl hij de trap opklom speurde hij in de menigte naar Schwartz, maar kon hem niet ontdekken. Schwartz was nu al opgeslokt door India.
Pas toen hij de trap naar perron 1 afliep besefte de Wit dat dit een ander station was dan dat waar hij was ingestapt. Verderop zag hij de trein wegrijden. Op perron 1 stond een trein op het punt van vertrek, zo vol dat de mensen letterlijk de deuren uitpuilden. Achter de horizontale spijlen van de raampjes zag hij de sombere gezichten opeen gepakt. Hij liep langs een boekenkiosk en een thee- en snack-verkooppunt een brede gang in naar de uitgang. Overal lagen mensen op de grond.

Toen hij naar buiten de warme nacht inliep zag hij dat het hele platform voor de loketten, waarvan de meeste inmiddels gesloten waren, gevuld was met arme mensen. Ze zaten of lagen op uitgespreide doeken met bagage om zich heen. Wie waren dit? Reizigers? Voorzichtig manouvreerde hij tussen de doeken door en ging per ongeluk op een ervan staan, waarop een man verontwaardigd naar hem opkeek. Hij liep de trappen af naar een aantal bushaltes, waar echter geen enkele bus te bekennen viel. Er lag afval op straat. Ook hier lagen mensen in rijen te slapen. Deze hadden niets bij zich. Ze lagen onder doeken of dekens, strak over het hoofd getrokken en onder de hielen vastgehouden, alsof het lijken waren, omgekomen tijdens een coup of een epidemie. Hun vlakbij neergezette riksja’s maakten duidelijk dat het riksjarijders waren. Hij draaide zich om en keek naar boven naar de gevel van het station. Old Delhi Railway Station. Hij was in Old Delhi in plaats van in New Delhi.
Een nieuwe stroom treinreizigers kwam nu de trappen af en de Wit liet zich meevoeren naar de grote straat voor het station. Hier kwam hij terecht in een tafereel van totale wanorde. Een malende en krioelende massa van mensen en voertuigen die in het donker kriskras door elkaar reden en een heidens kabaal maakten. De straat, het verkeer en de gevels van de stationsgebouwen werden door de straatlantaarns in een vaal oranje schijnsel gezet. Daarbuiten was de nacht, die aan het geheel een zekere beslotenheid gaf.

De Wit werd overdonderd door het lawaai van motoren en het voortdurende en nutteloze getoeter en gerinkel van bellen. Hij hoorde een kakafonie van stemmen: verkopend, ruziënd, aanroepend. Het hele scala van het Indiase leven draaide en kolkte om hem heen. Vrachtwagens, de reusachtige stadsbussen, personenauto’s en taxi’s, de overal tussendoor schietende motorriksja’s, scooters met hele gezinnen erop, fietsriksja’s, fietsen en voetgangers. Hij liep langs verkopers van allerhande waren opgetast op duwkarren met fietswielen. Een pindaverkoper, een fruitverkoper, een sigarettenverkoper, een kokosnotenverkoper, een koekjesverkoper. Allen met een felle petroleumlamp die zijn licht wierp op de waren en op de magere, donkere gezichten van de verkopers, die hoeveelheden afwogen op oude, ijzeren handweegschalen en ze verpakten in van krantenpapier gemaakte zakjes. Van ieder kar slingerden slierten wierook door het lamplicht de nacht in.
Hij passeerde een groep wachtende riksjarijders die hun pezige lichamen op hun riksja’s hadden uitgestrekt en hem met duistere blikken aanstaarden. Hij zag een man met een metalen kar bij wie men voor tien paise een glas koud water kon drinken. Terwijl de man door op een pompje te drukken een nieuw glas volspoot was een ander bezig een groot stuk ijs onderin de kar te stoppen. Iemand duwde een kar vol met plastic keukengerei voor hem langs. Iemand hield hem een kaartje met een in stukjes verdeelde hand voor zijn gezicht.
Bijna werd hij omver gelopen door een groep mensen die de straat oprenden achter een bus aan, die echter niet stopte. Plotseling zag hij temidden van de chaos een politiehuisje. Binnen zat een drietal in bruin geklede agenten met lange bamboeknuppels. Op een bordje dat uithing boven de deur stond in hoofdletters: TRAFFIC COMPLAINTS.
Hij liep langs wachtende bussen met ronkende motoren, vol met zwijgende mensen. Hij durfde niet te vragen waar de bussen naar toe gingen, uit angst dat niemand hem zou begrijpen en hij omringd zou worden met nieuwsgierigen. Tegen een muurtje dat de stoep scheidde van het spoorwegterrein stond een theeverkoper. In een grote pan boven een petroleumbrander liet hij de lichtbruine melkthee een paar keer opkoken en goot hem toen door een zeef in een aantal glaasjes. Op een paar ruwhouten bankjes zaten wat riksjarijders en bagagedragers en twee vrouwen met witgepoederde en geverfde gezichten en harde, hoekige trekken. Ze gedroegen zich nonchalant en ongeremd als mannen. Iets verder zaten mensen voor hun tegen de muur aangezette woninkjes van afval en bakten chapati’s, terwijl kinderen in groezelige kleren hem aankeken met oude gezichten.

Hij begon weer terug te lopen. Hij rook de geur van wierook, uitlaatgassen, brood en afval. Hij zag de chaos van krankzinnig bewegende donkere vormen en gedaanten in het onheilspellende oranje licht en hij dacht: ik ben in een soort onderwereld terechtgekomen.
Een koe kwam langzaam tussen het verkeer door lopen, zich nergens wat van aantrekkend. Het verkeer ontweek hem en golfde om hem heen maar hij zag het niet. Hij zocht rustig en onverstoorbaar naar iets eetbaars op de grond. De Wit moest een stap opzij doen om hem te laten passeren. Een bedelaar, een levendige oude man met een vriendelijke spot in zijn ogen, kwam voor hem staan en begon islamitische gebeden op te zeggen terwijl hij zijn hand ophield. De Wit liep om hem heen, en de man bleef hem een poosje luid reciterend volgen alvorens te verdwijnen.
Voor de ingang van het station zag hij een paar gezinnen met kleine kinderen staan. De mannen in pullovertjes en de vrouwen in sari’s. De kinderen speelden tussen de koffers en tassen. Ze riepen motorriksja’s aan, die snel op hen afschoten, waarna de koffers, tassen en kinderen werden ingeladen en de man en de vrouw zich er tussen persten.
Een moment later verscheen er plotseling een riksja voor de Wits neus. De bestuurder keek hem van onder zijn overkapping grijnzend aan.
- You want riksha, sir? Where you want to go?-
De Wit besefte dat waar hij ook midden in de nacht terecht zou komen, een riksja altijd zijn redder zou zijn. Hij zei:
- Connaught Place.-
- Twenty rupees.-
De Wit wees op de meter die in de riksja bevestigd was.
- Let’s use your meter.-
- No sir, is broken. Twenty rupees good price.-
Iemand klampte hem van achteren aan. Hij draaide zich om en zag de bedelaar, die opnieuw gebeden begon af te ratelen. De Wit stak zijn hand in zijn zak en haalde hem met de inhoud daarvan weer tevoorschijn. De steentjes van de Taj Mahal. Hij stopte de bedelaar de steentjes in zijn hand en stapte de riksja in. Terwijl de riksja met grote vaart tussen het verkeer door manouvreerde zag de Wit door het achterraampje de bedelaar, die achterbleef in zijn onderwereld en verbaasd keek naar de steentjes in zijn hand.


