De zwarte markt van Shanghai
Bijgewerkt op: 17 sep

De bus reed over de Bund, de brede boulevard met magnifieke strakke steenblokken van gebouwen die uitkeken over de Huangpu rivier, een zijrivier in de monding van de Yangtze. Reed vervolgens over een ouderwetse ijzeren brug over de Suzhou kreek, met afgemeerde platte boten langs de kade, en stopte recht voor het Pujiang Hotel.
In de donkerbruine lobby was een winkel met souvenirs. Op de eerste verdieping was een restaurant: ronde tafels en stoelen voor zover het oog kon zien. Vlak daar boven waren de slaapzalen, met tientallen bedden, verbonden door lange, donkere gangen met veel houtwerk. Er boven waren nog veertien verdiepingen. Op iedere gang zat naast de lift een sleutelbewaarster achter een bureau.
Na de opiumoorlogen was China door de westerse mogendheden gedwongen handel te drijven met het westen, en veel handelshuizen, banken en rederijen die vanuit Hong Kong opereerden vestigden zich toen ook in Shanghai. Als hoofdkwartieren van hun handelsimperia zetten ze kolossale bouwwerken neer, opgetrokken in een harde, hoekige stijl, die nu de enige overblijfselen zijn van een verleden van onbeteugeld kapitalisme en van de magie die door de naam Shanghai opgeroepen wordt. De Bund was destijds een glitterende wijk, met nachtclubs, bars en warenhuizen, bevolkt door de westerse elites. De Chinezen vormden een kolkende massa van koelies, boeren, kooplieden en bedelaars. Aan de waterkant lagen duizenden sampans waarin de armsten der armen woonden.
In modern, communistisch Shanghai is de Bund een wandelpromenade met fonteinen en bloembakken. De armoede en chaos hebben plaats gemaakt voor sociale planning en gelijkheid. Shanghai is een stad van dertien in een Chinees dozijn, op de koloniale gebouwen na.
De grote lobby's, gangen en zalen zijn lege omhulsels van een verdwenen nachtwereld vol met echo's en geesten van vergeten dansfeesten en diners. Tussen de zakelijke, anonieme Chinezen van nu ben je je echter alleen bewust van die door de Japanners verdreven glamour als je de geschiedenis kent, want uiteraard is het een truc van de verbeelding. De bankiers en de handelaren, de gokkers en de gangsters, de dansers en de drinkers zijn allemaal dood. Het maakt niet eens uit of ze wel allemaal bestaan hebben of niet. Het enige dat rest zijn hun bouwwerken, nu in gebruik als hotels en overheidsinstellingen.

Tussen het Park Hotel en het Peace Hotel op de Bund begint de Nanjing Donglu, een drukke straat die enkele kilometers doorloopt in westelijke richting. In China is het altijd spitsuur, en te midden van duizenden mensen liep ik op mijn gemak langs de winkels en kantoren. Er was een grote levensmiddelenwinkel die elke dag een nieuwtje had. Een ijsje, een bekertje yoghurt, kleefrijst in een bananenblad. Enkele meisjes verkochten buiten de winkel in een paar uur de hele voorraad leeg.
De warenhuizen uit de koloniale tijd bestaan nog, alleen zijn ze hun exotische namen kwijt. Ze heten niet langer naar hemellichamen maar hebben nummers: Warenhuis nummer 1, Warenhuis nummer 2, enzovoorts.
Geen van de vele voetgangers onderscheidde zich op het oog van de andere. Allen droegen blauwe, grijze of groene jasjes. Velen droegen petjes op hun hoofd.
Een kleine, schichtige figuur kwam naast me lopen en zei iets onverstaanbaars. Het was Engels maar de uitspraak klopte niet. Hij keek spiedend voor zich uit en scheen te aarzelen. Toen kwam er een hele woordenstroom in het Chinees en twee woorden die ik kende: ‘Change money.’
-160.- zei ik.
-157.- wierp hij terug.
Ik was op het moment niet zo geïnteresseerd om mijn speciale buitenlandersgeld te ruilen voor het volksgeld, maar wilde wel eens zien of het tegen een koers van 160 zou kunnen. Naarmate ik verder naar het oosten reisde was de koers gestadig gestegen.
De man, die wat was achtergebleven, kwam weer gelijk op lopen, en zei:
-158.-
-160.- zei ik.
Ik bleef rustig doorlopen tussen de mensenmassa’s. De man liep schuin achter mij en babbelde zenuwachtig. Ik begreep dat hij wilde weten hoeveel ik wilde wisselen.
-300.- zei ik. Als het tegen 160 kon!
Hij werd nu nog opgewondener en zei:
-159.-
-160.-
Hij liet zich weer terug zakken en liep een poosje een meter of tien achter mij. Ik dacht dat ik hem nu definitief kwijt was maar hij kwam toch weer terug.
-Oké, 159.- zei hij, alsof hij een concessie deed.
-Ik zei 160.-
Voor ons ontstond nu een grote commotie. Twee Chinezen sleurden een derde tussen zich in van de straat en liepen tussen nieuwsgierig toeschietende voorbijgangers onze richting uit. Het slachtoffer was een jongen van een jaar of achttien, met een beschaamde uitdrukking op zijn gezicht. Hij probeerde door achterover te leunen de vaart van de twee anderen af te remmen. Toen ze ons passeerden zei ik tegen mijn achtervolger:
-Dat is een geldwisselaar die gesnapt is door de politie.-
Hoewel het waarschijnlijk een zakkenroller was maakte deze gebeurtenis hem nog zenuwachtiger dan hij al was. Hij ging nu akkoord met een koers van 160, en even later wenkte hij me tussen enkele kraampjes door een portiek in. Enkele mensen keken ons licht verbaasd aan terwijl we een trappenhuis doorliepen en naar de eerste verdieping klommen. Daar gaf hij me een grote stapel gebruikte bankbiljetten van vijf en tien yuan. Ik telde en kwam tot 475. Ik keek hem vragend aan.
-Ik zei 160.-
Vlug haalde hij nog een biljet van vijf uit zijn jaszak, gaf het aan mij, en kreeg toen plotseling de schrik te pakken. Hij snelde de volgende trap op en verdween naar de tweede verdieping, mij met twee stapels bankbiljetten in mijn handen achterlatend. Ik kon geen reden voor zijn vlucht ontdekken en riep hem terug. Uiteindelijk kwam hij voorzichtig een stukje naar beneden zodat ik hem mijn stapeltje gloednieuwe biljetten aan kon reiken en de ruil compleet was.

Buiten, verder lopend over de Nanjing Donglu, had ik direct al spijt dat ik hem zo hard behandeld had. Waarom liet ik hem die vijf yuan niet? Weliswaar hadden de Chinezen mij bijna zonder uitzondering ook voortdurend afgezet (soms lieten ze me zelfs voor een kopje thee dubbel betalen omdat ik een buitenlander was), maar dit was geen professionele zwarte geldhandelaar, dit was waarschijnlijk een hardwerkende vader die van zijn spaarcentjes een of ander luxe artikel wilde kopen in een Vriendschapswinkel, waar je alleen met het speciale buitenlandersgeld kon betalen. Het had hem misschien jaren gekost die 480 yuan bij elkaar te sparen, terwijl ik er een paar weken van door China zou reizen.
Ik vervolgde mijn weg langs de eindeloze straat. De menigte voetgangers liep in stromen langs me heen, als water langs een steen in de rivier. Ik kon over iedereen heen kijken en zag voor me en achter me een zee van dansende petjes.
De meeste mensen keken me wel aan als ze me zagen (er is niets dat de Chinezen meer kenmerkt dan de totale, onverbloemde nieuwsgierigheid naar alles dat afwijkt van de norm) maar nergens zag ik de continue, wezenloos starende blikken die me elders vaak ten deel waren gevallen. Mensen waren soms op hun schreden teruggekeerd om met verbazing het lange, magere, hologige wezen te observeren dat plotseling in hun straat was verschenen. Alles wat ik deed, een flesje frisdrank kopen, mijn veter vastmaken, werd bijzonder, alleen omdat ík het deed.
Het was duidelijk dat Sjanghai voor Chinese begrippen een sjieke stad was. Een stad waar het gebeurt, een stad die het heeft. Waar men een moderne leefstijl heeft en waar men gewend is aan buitenlandse bezoekers. Het kosmopolitisme van de grote havenstad.

Ondanks hun nieuwsgierigheid naar buitenlanders zijn de Chinezen echter veel minder geneigd met hen te communiceren dan andere Aziaten. Ze lijken overtuigd te zijn van de onmogelijkheid een zo vreemd wezen als een buitenlander hoe dan ook te begrijpen, en menige toenaderingspoging wordt beantwoord met een geschrokken afweerreactie. Mijn enige uitgebreide conversatie met een Chinees buiten Sjanghai vond plaats op een veerboot op de Yangtze. Ik reisde in de vijfde klasse, in een van de slaapzalen op het laagste dek, op gelijke hoogte met het water. Langs de wanden van de gangen stond een honderdtal stapelbedden, drie boven elkaar. 's Avonds trok iedereen zich hier terug. Sommigen lagen op bed te slapen of te lezen, anderen speelden spelletjes op de grond, zittend op de onderste bedden. Chinees schaken op velletjes papier, mah-jong, jokeren met dunne, langwerpige kaarten. Iemand zat een ananas te schillen, een vrouw stond te breien. Ik lag op het bovenste bed helemaal aan het eind van de gang bij de patrijspoort. Liggend op mijn buik kon ik de rivier zien en de steeds verder terugwijkende oever naarmate we oostwaarts voeren.
De jonge man in legeruniform in het bed onder mij was opgestaan en stelde mij een vraag in een mij onbekende taal die geen Chinees was. Ik maakte een gebaar van niet begrijpen. Hij probeerde nog een paar vragen, maar toen ook die zonder antwoord bleven kroop hij terug op zijn bed. Even later verscheen er een hand met een papiertje naast mijn bed. Ik pakte het aan. Er bleek een zin in het Engels op te staan:
-Where do you come from?-
Ik schreef er ‘Holland’ onder en gaf het briefje weer door naar onderen. Zo ontwikkelde zich een briefwisseling in schoolboekfrasen waardoor ik erachter kwam dat hij even oud was als ik (zijn lachende gezicht verscheen plotseling even onder mij), dat hij luitenant was in het Chinese leger, en naar Shanghai ging voor familiebezoek.
Het was een hele belevenis plotseling door de taalbarrière te breken en kennis te nemen van de persoonlijke omstandigheden van iemand uit die grote, grijze massa Chinezen, hoe beperkt deze vorm van correspondentie ook was.

Ook dit lag anders in Shanghai. Na het wisselen van mijn geld liep ik nog geen kwartier of de volgende gesprekspartner diende zich aan. Een man van achter in de twintig met een dun brilletje op kwam naast me lopen en begon zonder plichtplegingen te praten in vlot Engels.
-Wat vind je van China?-
-Het is een hele ervaring, ik ben nog nooit in een land als dit geweest.-
-Het is een vreselijk land. Ik probeer alles om eruit te komen.-
-Maar zo erg is het toch niet. Het is hier beter dan in India, daar is veel meer armoede.-
-In India is vrijheid, daar kan je tenminste zeggen wat je wil. Als je hier contacten hebt met buitenlanders krijg je de politie al achter je aan. Die openen je brieven en doorzoeken je huis.-

Ondanks zijn kalmte en terloopse manier van spreken maakte hij een verbitterde indruk. Hij was een jonge intellectueel wiens zelfontplooiing opliep tegen de muren van een centraal geplande samenleving. Toch gaf zijn vastbeslotenheid, en misschien nog meer zijn westerse manier van doen mij het idee dat hij zijn ambities wel zou verwezenlijken.
De dag, die vanaf het begin donker en winderig geweest was, begon te dreigen met regen. We liepen een restaurant in en kochten kaartjes voor miesoep bij een vrouw die in een gesloten kast met een raampje erin bij de ingang zat. Naast de kast stond een vitrine waarin het te bestellen voedsel was uitgestald. We haalden onze soep op bij de balie van de keuken en zetten ons aan een van de grote, ronde tafels. Her en der zaten mensen achter kommen soep waar ze met behulp van stokjes de mie uit opslurpten. Mijn metgezel vertelde dat veel van zijn landgenoten hun land proberen te ontvluchten.
-Vroeger zijn er velen naar Hong Kong gevlucht. Een groot deel van de bevolking daar komt uit China. Maar tegenwoordig is dat niet zo makkelijk meer, de controle is steeds scherper geworden. Ben jij in Tibet geweest?-
-Ja, daar ben ik de grens over gekomen.-
-Ah, en is het mogelijk om vanuit Tibet illegaal over de grens naar Nepal te komen?-
-Als je een bergbeklimmer bent wel. Er zijn bijna geen wegen daar en de afstanden zijn enorm dus je moet wel per bus gaan. En omdat er overal checkpoints zijn waar iedereen gecontroleerd wordt moet je een geldige of geloofwaardige reden hebben om in die uithoek te zijn. Ook moet je een kaart hebben om te zien langs welke route je de grens over kan zonder de douane te passeren. Een gids zou natuurlijk veel beter zijn want het land is ontzettend woest en ruig.-
Ik wist niet hoe serieus deze vraag was. De grensovergang zelf bevond zich in een nauwe vallei, waardoor een ongeplaveid weggetje zich van de Tibetaanse hoogvlakte naar de Kathmanduvallei slingerde. Ongezien de grens overkomen was hier zo goed als onmogelijk, maar ik stelde me voor dat er een vallei verderop misschien al geen soldaat meer te bekennen zou zijn. Het probleem was echter om er te komen. Het onherbergzame maanlandschap van Tibet is voor een Chinees zonder geldige papieren bijzonder moeilijk over te steken, omdat hij de hulp nodig heeft van anderen.
We praatten nog wat door over de ontsnappingsmogelijkheden die China haar ontevredenen bood, en ik moest tot de conclusie komen dat het er niet veel waren, dankzij onbewoonde grensgebieden en de overwegend slechte relatie met de buurlanden.
Voor het restaurant nam ik afscheid van de dissident, die direct werd opgeslokt door de massa van zijn landgenoten.

Het was inmiddels donker en de regen naderde. Het fietsverkeer was grotendeels van de straat verdwenen zodat het rustiger was. Ik stak de straat over en liep aan de andere kant snel terug in de richting van de Bund, en dan naar het noorden. Ik besloot het door het Tourist Bureau georganiseerde jazzbandje met oude Chinezen in het Peace Hotel te mijden en ging in plaats daarvan naar de Shanghai Mansions, een door een tycoon van weleer gebouwde steenkolos die haaks op het einde van de Bund stond, net over de stalen brug. Het bestond uit drie delen, waarvan de buitenste twee met een hoek naar buiten wezen. Uittorenend boven de stad strekte het zijn begerige handen uit naar de markt van het vasteland van China. Nu was het een luxe hotel.
Eindelijk begon het te regenen. In een paar minuten was alles kletsnat. Regendruppels sprongen glinsterend op in het licht van straatlantaarns. Enkele Chinezen met paraplus spoedden zich als schimmen door het donker, ineengedoken, zigzaggend om de plassen te ontwijken. Uit dakgoten en kapotte regenpijpen stroomde water kletterend op straat en vormde donkere poelen. Ik rende hard over de brug, stak de straat over en dook de lobby van de Shanghai Mansions in.
Het was er licht en schoon, er waren kristallen luchters en een fonteintje. Ik nam de lift naar de bovenste verdieping, ging nog een trap op, en stapte door een zware deur op het dak.
Dicht tegen de muur schuilend voor de regen keek ik uit over de stad. De sterrenhemel was beneden in plaats van boven. Lichtjes tot aan de horizon. Vlakbij was het Pujiang Hotel en het zwarte vlechtwerk van de ijzeren brug, uitgevend op de verlichtte Bund die wegliep naar het zuiden. De rivier lag zwart in een grote boog om de stad. Lichtjes van kranen en schepen langs de kade.
Ik stond hier aan de rand van de Chinese zee en keek uit over de hele Euraziatische landvlakte tot aan de Noordzee aan de andere kant en zag in gedachten de nacht er langzaam overheen kruipen naar het westen toe, over alle volkeren die er woonden heen. De een na de ander stopten zij hun activiteiten, doofden hun lichten en legden zich te slapen om te wachten op de ochtend.


