Met de trein van Karachi naar Lahore in de tijd van Zia-ul-Haq
Bijgewerkt op: 31 aug

Ver vooruit begon de locomotief te steunen en stoomwolken uit te blazen. De trein kwam langzaam in beweging. Tussen de horizontale spijlen van het glasloze raampje door zag ik het chaotische toneel op het perron voorbij trekken. Mannen met karren fruit, snoep, de zoete melkthee, allerlei snacks. Een met de trein meerennende man met een stapel boekjes en kranten riep -Pépar! Pépar!- De beambten, de dragers, de uitzwaaiers, de wachtende reizigers zittend en liggend op doeken, en de rondhangende lieden wachtend op losse baantjes gleden allen weg uit het zicht toen de trein het station uitreed. In de trein maakten de passagiers zich op voor de 24-urige reis naar Lahore.

Enkele dagen eerder was ik om half twee 's nachts op het vliegveld van Karachi gearriveerd. De aankomsthal leek een soort stationnetje. Toen ik na de controle de warme nacht inliep brak een groep haveloze lieden van enkele politieagenten los en stormde op me af. Ik zette me schrap, maar tot mijn opluchting renden ze langs me heen de hal in. Wat wilden ze? Snel de trappen aflopend werd ik aangeklampt door riksjarijders, taxichauffeurs en bedelaars. Anderen stonden me broeierig aan te staren. Mensen lagen op straat onder dekens. Ik baande me een weg naar de auto van Abu Bakar, de Senegalese student die ik in het vliegtuig ontmoet had, en wiens vader een diplomaat was in Karachi. Met de chauffeur van de familie aan het stuur reden we door brede verlaten straten naar het centrum van de stad. Af en toe zagen we een eenzame gedaante die midden op de weg liep, gekleed in witte doeken die wapperden in de nachtwind.
In het centrum maakten we enkele nachtwakers van hotelletjes wakker, maar alles was vol. Uiteindelijk kwam ik terecht in een kale stenen cel met een bed, een stoel en een asbak. De muren waren vies. Verderop in het gebouw hoestte en rochelde iemand onophoudelijk. De echo's klonken door de stille gang. Abu Bakar had het geen geschikt hotel gevonden maar ik was allang blij dat ik iets had. Toen hij vertrok vroeg ik hem naar de solitaire wandelaars. Waren het gekken of wijzen? Maar hij wist niet waar ik het over had. Hij had ze niet gezien.

De volgende dagen bracht ik door met Abu Bakar, afwisselend rondrijdend in de hete, rottende stad, om de moskee te zien en het mausoleum van de Quad-i-Azam, de stichter van Pakistan, en theedrinkend in de koele villa van zijn ouders. De villa was ruim en smetteloos, gebouwd in islamitische stijl. Lichte kamers met betegelde vloeren en weinig meubilair. Een open wenteltrap in de hal leidde naar een grote zitruimte met moderne stoelen en een koffietafel. In de aangrenzende kamer stond een simpele zwarte eettafel, waaraan we patat friet en gebakken vis aten. Abu Bakar, zijn neef en ik spraken over politiek. Zijn vader was er niet. Zijn moeder zweeg, reageerde nauwelijks toen ik haar in het gesprek wilde betrekken. Later bedacht ik me dat ze waarschijnlijk geen Engels sprak.
We dronken blikjes seven-up en coca-cola, want een islamitisch upper-class gezin uit een Franse ex-kolonie neemt wel de Franse keuken over maar niet de Franse wijn. De chauffeur kwam binnen en haalde de borden weg. Hij bleek behalve chauffeur ook kok en bediende te zijn. Later op de avond zaten we gedrieën in de zitkamer en dronken Afrikaanse thee, net zoals we 's middags deden. Terwijl Abu met lange halen de groene thee heen en weer goot vroeg ik hem:
-Wat vind je van Zia?-
-Hij is een goeie kerel denk ik. Zijn bedoelingen zijn goed. Hij is alleen ontzettend
macho.-
-Maar hij is een dictator.-
-Democratie werkt niet in Pakistan. Met zoveel mensen die niet eens kunnen lezen en
schrijven is dat onmogelijk. Ze zouden gewoon achter de eerste de beste demagoog aanlopen.
Zia weet dit land tenminste nog redelijk in de hand te houden.-
Abu Bakar was verschillende malen in Europa geweest en beschikte over voldoende vergelijkingsmateriaal. Zoals vele anderen in Azië was hij tot de conclusie gekomen dat een politiek systeem waar Europa eeuwen over heeft gedaan om te ontwikkelen niet de meest logische optie hoeft te zijn in een land dat eeuwenlang niets anders kende dan koloniale autocratie van datzelfde Europa. Maar is dat een excuus om niet te streven naar tenminste een werkbare democratie zoals in India? Geen democratie is tenslotte perfect.
---

Zia-ul-Haq runde Pakistan als een one-man show. Hij was daarin net zo min de eerste als hij waarschijnlijk de laatste zal zijn. Na de dood van Mohammed Ali Jinnah, de 'Quaid-i-Azam', stichter van Pakistan, nam generaal Ayub Khan voor elf jaar het heft in handen. In 1969 werd hij afgelost door generaal Yahya Khan, die Yahoo genoemd werd. Deze liet een paar jaar later verkiezingen houden, waarvan hij de resultaten in Oost-Pakistan niet accepteerde. Yahoo ging over tot gewelddadige onderdrukking, wat tot de oorlog met India leidde. Die had rampzalige gevolgen. 91.000 soldaten werden door de Indiërs krijgsgevangen gemaakt en Oost-Pakistan werd Bangladesh. Het leger was nu volledig gediskwalificeerd en was blij de macht over te kunnen dragen aan de PPP, de Pakistan People's Party onder leiding van Zulfikar Ali Bhutto. Deze charismatische figuur begon enthousiast de brokstukken bij elkaar te rapen en normale relaties op te zetten met buurlanden. In 1973 werd de eerste grondwet van Pakistan aangenomen door het parlement, maar zijn landhervormingspolitiek werd getorpedeerd door de machtige landeigenarenklasse. Pakistan wordt beheerst door de elites uit de Punjab: de grootgrondbezitters, die zich ingekocht hebben in de industrie, de bureaucratie en het leger. De laatste twee zijn bloedzuigers op de economie. Een groot deel van het overheidsbudget verdwijnt regelrecht in de parallelle economie.
Bhutto moest het leger voortaan in de kazernes zien te houden en stelde daartoe als legerleider iemand aan die hij vertrouwde: generaal Zia-ul-Haq.

Het leger bleef echter als een onweerswolk boven de politiek hangen, en op 5 juli 1977 greep Zia de macht. Als excuus gebruikte hij de onrust die in het land gestookt werd door de kleine islamitisch-fundamentalistische partijtjes, al of niet in samenwerking met onderdelen van het leger. Bhutto werd beschuldigd van corruptie, berecht en opgehangen. Dit en de plundering van de Amerikaanse ambassade gelijktijdig met de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran isoleerde Zia in de internationale politiek. De Russische inval in Afghanistan maakte hem echter plotseling belangrijk. Er ontstond een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie met de Verenigde Staten. Zijn oppositie verweet hem Pakistan verkocht te hebben aan Amerika, het IMF en de Wereldbank, op wier advies hij de economie openstelde voor import en investeringen uit het Westen, en daarmee de gevestigde belangen bevoordeelde ten koste van de plattelandsbevolking. Maar in ruil voor anti-communisme en steun aan de Afghaanse mujahidien verzekerde hij Amerikaanse militaire en financiële hulp die zijn en Pakistans positie sterker maakten. Hij was een politieke koorddanser, die China bevriende, de Amerikanen aan het lijntje hield, de Russen net niet te veel voor het hoofd stootte, en de relatie met India handig manipuleerde op de momenten dat hij een externe dreiging nodig had. De oppositie hield hij van zich af door een verdeel en heers politiek, door het toestaan van mondjesmaat democratie en het beloven van verkiezingen, die steeds uitgesteld werden totdat zij "positieve resultaten" zouden kunnen opleveren. Hij legitimeerde zijn dictatuur met een campagne van islamisering van het land. Pakistan is tenslotte gesticht als islamitische staat, door Mohammed Jinnah, de Quad-i-Azam. Men doet bijvoorbeeld pogingen de betaling van rente te vervangen door winst- en verliesdeling, en burgerlijk recht door sharia, islamitisch recht. Soms word er iemand in het openbaar gegeseld.
Zia's dictatuur ging gepaard met de gebruikelijke schendingen van mensenrechten, politieke gevangenen en martelingen, maar op een relatief gematigde manier. Als er geen alternatief voor militaire dictatuur was zou Zia als een bekwaam en tactisch leider gelden. In zijn soort hoorde hij tot de beste, maar zijn soort is slecht. De militair die de maatschappij wil leiden als het leger, alles gericht op repressie en handhaving van de status quo.
---

's Ochtends zwierf ik door de stad. Vanaf een bepaald punt waar ik langs kwam liep er altijd een man een eindje met me op die me alle denkbare objecten te koop aanbood, van tapijten tot "brown sugar": heroine. Karachi is het financiële centrum van Pakistan. Vijftig jaar geleden was het een vissersdorpje, nu is het een uitgestrekte betonnen jungle. Overal hangt een weeïge stank van verderf. Het is niet de hoofdstad, dat is Islamabad, dat nog nieuwer is. Hoewel het aan zee ligt is Karachi geen badplaats. Er is een kale, troosteloze boulevard met een leeg strand. Vlakbij in zee liggen roestige scheepswrakken in de zon. Het verkeer in de stoffige, eentonige straten bevindt zich permanent in een toestand van totale anarchie. Het openbaar vervoer is onbegrijpelijk. Tientallen volgeladen bussen zoeven voorbij. Fantastisch opgesierde van particulieren, gewone van het openbaar vervoer. Ze stoppen nauwelijks en bij iedere halte doet een meerennend groepje verwoede pogingen zich erin te werken.
De ongelijkheid is schrikwekkend groot. Lopend langs de moderne Habib bank, eigendom van een van de heersende families van Pakistan, zag ik een hoofd op een stuk romp, zonder ledematen, dat achter een bord met wat muntstukken op de stoep was gedeponeerd. Dit was er eentje van een hele rij misvormde bedelaars die voor de bank zaten en luid kakelend opkeken naar de voorbijgangers. Bij de stoplichten verderop reden andere gehandicapten op met wieltjes beslagen planken tussen de auto's door en bedelden bij de bestuurders.

Na eerder al onverrichter zake op het Cantonment Railwaystation geweest te zijn, waar men geen ‘correct information' over de treinen bleek te hebben, zocht ik vervolgens de hele hete middag naar het City Railwaystation, en kwam terecht in een achterbuurt. Lage, ruwe stenen huizen met mensen in de deuropeningen en zittend op houten bedden in de zon. In stevige pas liep ik door de straten in de richting van de spoorlijn die ik erachter wist lopen en overal stopten mensen hun gesprekken en activiteiten en staarden mij somber na. Overal hingen vleugen van de zoete stank. Op het station aangekomen stonden voor ieder loket groepjes dringende mensen. Buiten stonden groepen dragers in lange rode jassen en tulbanden. Op het "commercial bureau" kon ik met behulp van een document dat ik op vertoon van mijn studentenkaart in een stoffig achteraf kantoortje dat voor tourist office doorging had gekregen, een " student concession" krijgen. Ik moest er een uur op wachten in het rommelige kantoor, vol met bureaus met stapels boeken en paperassen, waar bijna niemand was. Toen kocht ik aan een loket met vijftig procent korting een enkele reis eerste klas Karachi-Lahore.
---

De trein reed door viezige dorpjes met kleine vierkante huisjes. Daarna was er alleen een kurkdroge zandvlakte, met hier en daar wat struiken. Af en toe reden we door een rommelig stadje. Verder verbrak niets de eentonigheid van het landschap. Alle plaatsen in de trein waren bezet, voor het merendeel met mannen in de Pakistaanse, pyama-achtige kledij. Allen staarden me met donkere blikken aan. Tegenover me en aan de andere kant van het gangpad zat een grote familie, die spoedig na het vertrek begon te eten van hun meegebracht voedsel - in krantenpapier gewikkelde chapati’s en gekookte groenten in metalen busjes. De enigen met een wat westers voorkomen waren twee jonge mannen die naast me zaten. Ze droegen Europese kleren maar liepen op sandalen. Toen om een uur of twaalf iemand de coupé binnenkwam met een stapel dienbladen vroeg een van hen aan mij:
-Would you like to have lunch with us?-
Ik accepteerde, en kreeg een in vakjes verdeeld aluminium blad met een stukje vlees in curry, rijst, groente en grote, twee keer gevouwen chapati’s.
Ze waren studenten uit Skardu in Noord-Pakistan, Syed en Nazir. Ze studeerden scheikunde en fysische geografie. Syed, rustig en beleefd, vroeg mij op de gebruikelijke manier het hemd van het lijf. Vragen over mijn land van herkomst, mijn beroep, mijn vader, mijn broers, mijn trouwplannen en zo verder. Om een individu te kennen moet je de groep kennen waartoe hij behoort.
-En jullie?- vroeg ik, -Wat deden jullie in Karachi?-
-Oh, daar waren we op bezoek.-
-Op bezoek bij wie?-
-Bij familie.-
-Wat vind je van Karachi?-
-Vreselijk. Bij ons in het noorden is het mooi. Schitterende bergen en niet zoveel mensen. Waarom kom je niet met ons mee, dan kan je bij ons logeren.-
-Is het niet koud daar op het moment?-
De familie tegenover ons was overgeschakeld op fruit en de vloer raakte bezaaid met schillen. De studenten voegden er pindahulsjes aan toe. Ingeklemd tussen haar familieleden zat een meisje van een jaar of tien dat me onafgebroken aankeek. Soms veranderde ze van plaats, en bestuurde ze me van de andere kant van het gangpad of van verderop. Op een gegeven moment miste ik haar blik en dacht ik dat ze verdwenen was, totdat ik haar gefascineerde ogen ontdekte op de bovenste slaapplank, waar ze tussen de bagage lag.
De stoffige vlakte buiten veranderde nooit. Het geelbruine land lag bewegingloos onder een vaalblauwe lucht. De trein waaide een grote hoeveelheid stof op, dat door de ramen naar binnen kwam, zodat de passagiers de houten luikjes naar beneden lieten zakken. Tevergeefs, want het stof drong naar binnen door de kieren. Het was alsof de woestijn de trein wilde verzwelgen.
-Wat vind je van Pakistan?- vroeg Nazir.
-Een beetje stoffig, maar de mensen zijn erg vriendelijk.-
-Europa is duur.- verklaarde Syed, -Jij reist nu in Azië, maar later willen wij in Europa reizen. Dan hebben we je nodig. We zijn nu vrienden, je kan ons brieven schrijven uit alle plaatsen die je bezoekt. Uit Pakistan, India,...-
---

Kleinere steden doken op uit het niets. Een grotere stad kondigde zich aan door de nederzettingen van uit afval gebouwde hutten langs de spoorlijn. Op een station bleef de trein altijd een poos stilstaan op een station, en passagiers gingen dan naar buiten om wat rond te lopen. Al eerder was me tussen de mannen verderop in de wagon een man opgevallen met een vriendelijk gezicht, die me nog meer aanstaarde dan de rest. Op een van de stations, ik stond in de deuropening, sprak hij me aan vanaf het perron.
-Ga je het perron niet op?-
-Nou ja, waarom?-
-To check with the people.- zei hij, en ik moest denken aan zeelieden die de wal opgaan in een vreemde haven. Het klopte, hij was een zeeman, en ging met verlof naar huis. Hij sprak Engels op een zachte en zangerige manier, die de taal plotseling mooi maakte. Zijn naam was Bebèr. Zoals alle Pakistanen nodigde ook hij me uit met hem te eten. Toen de trein weer begon te rijden liepen we door de tweede klas wagons naar de restauratiewagon. De tweede klas was een nog grotere chaos dan de eerste. Honderden in doeken gehulde mannen zaten op de banken, de slaapplanken en de vloer. We liepen van wagon naar wagon terwijl de trein kraakte in al zijn voegen. Tussen de wagens in zaten over elkaar bewegende metalen platen waaronder de voorbijschietende rails te zien waren. In de restauratiewagon waren geen tafels. De mensen zaten hier en daar te eten op de houten banken. Achterin stond iemand chapati’s te bakken, een ander verdeelde dienbladen met voedsel. Alles leek oud en vies, de hele wagon leek op het punt te staan uiteen te vallen. We baanden ons een weg naar achteren, waar een dikke conducteur stond, met het hemd uit zijn broek, vettig en corrupt. Zijn ongeschoren gezicht klaarde op toen hij mij zag. Hij sloeg zijn arm om mijn schouders en zei:
- I'm going to have a date with this one.-
Dat leek me geen goed idee. Ik maakte me los en liep naar een lege bank in de hoek. Hier zaten Bebèr en ik tegenover elkaar met twee dienbladen tussen ons in. Naast ons zaten twee Pathanen op dezelfde manier. Ze droegen omgeslagen doeken en tulbanden boven haviksneuzen en zware snorren. Ze keurden ons geen blik waardig en aten zwijgend. Het voedsel was hetzelfde als 's middags, het water in smoezelige glazen durfde ik niet te drinken.
- Ik snap het niet, - zei Bebèr, - vorige keer hadden ze een leuke restauratiewagen. Dit is niks.-
De nacht was inmiddels ingevallen en in het donker liepen we terug naar onze wagon, waar we verder praatten. Bebèr was al varende in heel wat havens geweest, en in vele had hij vriendinnen.
-Ik heb een vriendin in Spanje. Ik liep over straat en toen sprak ze me aan. Ze wilde weten wat voor kleren het waren die ik aan had. Ik had mijn Pakistaanse kleren aan. Ze heeft me later een brief geschreven, maar omdat ze geen Engels sprak schreef ze hem helemaal vol met alleen maar I love you I love you I love you.-
Verscheidene mensen klommen nu op hun slaapplanken en trokken dekens over zich heen. In de trein was het nog warm, maar de wind die door de kieren van de luiken kwam begon kouder te worden.
-Misschien kom ik er nog eens terug. Europa is schitterend, zo schoon en netjes. Ik kom er graag. Pakistan heeft grote problemen. Grote problemen.-
De wind bracht nog meer zand naar binnen. In het donker was het niet te zien maar ik voelde het op mijn gezicht en in mijn kleren. Als ik mijn hand door mijn haar haalde bleef het rechtop staan.
-Waarom kom je niet met mij mee naar Abottabad.- zei Bebèr, -Noord-Pakistan is erg mooi. Je kan bij mij een paar weken logeren.-
-Ik weet het niet. Misschien. Ik zal er vannacht over denken.-
Ik kon niet in slaap komen, ik had er niet op gerekend dat het 's nachts kouder zou worden naarmate we naar het noorden reden. Rillingen liepen over mijn rug en ik voelde keelpijn opkomen. De trein rolde ratelend en schuddend over de rails naar Lahore.

Toch moet ik geslapen hebben want ik werd wakker toen de zon door de ramen scheen, en het wanordelijke tafereel beneden me weer zichtbaar was. Mijn oren suisden van de koorts en mijn keel voelde alsof er een scheermesje in zat. Op de slaapplank tegenover me zat een jongen van een jaar of achttien die bij de grote familie hoorde. We wisselden de paar woorden Engels die hij kende.
We naderden Lahore. Op een kleine stopplaats verderop stapten drie jonge bedelaressen in, die zingend onze richting uitkwamen. Hun kleding was fel geel en groen. Ze zongen met heldere, schelle stemmen een liedje dat in zijn eenvoud heel mooi was. Voor Pakistaanse vrouwen leken ze erg vrij in hun doen en laten. De droomachtige incongruentie maakte hun gezang een heel bijzondere ervaring. Het was het beste dat ik er heb meegemaakt. Toen ze onder mij stil hielden om om geld te vragen, en omhoog keken, maakte ik een beweging naar mijn broekzak, maar de jongen tegenover me schudde vertwijfeld van nee. Dus gaf ik ze niets. Later had ik daar spijt van.
Op het station van Lahore stroomde de helft van de passagiers uit over het perron. Dragers namen torens bagage op hun hoofd en wankelden naar de uitgang. Hier werden de treinkaartjes ingenomen door beambten, en even later liepen Bebèr en ik de heksenketel in van riksja’s, taxi’s, bussen en mensen. De lucht was blauw van uitlaatgassen. Bebèr ging ergens douchen en ik ging naar een hotel, want nu ik ook nog ziek was wilde ik niet naar het noorden.
-Maar had je dan geen deken bij je?- vroeg Bebèr verbaasd. -Dat was een grote fout. Ken je Pakistan dan niet?-
-Nee, maar in ieder geval ken ik het nu beter.-
We stonden voor de deur van een hotel, vlak bij het station, en ik schudde Bebèr de hand.
-Bedankt voor alles.-
-Waarom, wat heb ik gedaan? Niets.-
-Jawel, je hebt me gezelschap gehouden, dat is toch wat? Ik heb je adres. Wie weet kom ik hier nog eens en dan zoek ik je op. En jij hebt mijn adres, als je in Holland bent kan je bij mij logeren.-
-Ik kom wanneer mijn schip in Rotterdam is. Op een andere manier is het niet mogelijk.-
-Ja, wie weet. -lachte ik.
-Nee,-zei hij, -het is zeker.-
Bebèr draaide zich om en verdween in het krioelende verkeer. Ik liet me inschrijven in het hotelletje, bracht mijn bagage naar mijn kamer en spoelde onder de douche het stof van half Pakistan van me af.
---

Inmiddels is Zia dood. - Hij is met geweld gekomen en hij is met geweld verdwenen, - zei Benazir. Het militaire vliegtuig waarin hij reisde stortte op een binnenlandse vlucht plotseling neer. De oorzaak is nooit achterhaald, maar waarschijnlijk is er een bom ingestopt door leden van zijn eigen leger, die genoeg hadden van zijn one-man show. Mogelijk begon men, na het wegsturen van Junejo, moe te worden van de dictatuur en de groeiende impopulariteit van het leger. De toenmalige Secretary of State Schultz noemde Zia na zijn verdwijntruc ‘een groot strijder voor de vrijheid’. De Verenigde Staten verloren een belangrijke strategische pion in hun strijd tegen het ‘Soviet expansionisme’. Vanaf toen werd hun relatie met Pakistan meer bepaald door de nucleaire politiek van het land en de positie als leverancier van 70 procent van de heroïne in het westen. Zia had van Pakistan een pion gemaakt in het bekende steekspel tussen de Verenigde Staten en de Soviet Unie. Zijn verdwijning was goed voor de vrede en stabiliteit in Zuid-Azië.
Epiloog: Benazir Bhutto

Benazir Bhutto is nu de leider van de PPP. Zij is ook de dochter van Zulfikar Ali Bhutto, die in de gevangenis het leiderschap overdroeg aan zijn vrouw, die het in het ziekenhuis, waar zij verpleegd werd voor kanker, weer overdroeg aan Benazir. Deze "dynastic rule" is een frappant verschijnsel in de hele regio. India heeft de Nehru-Ghandi dynastie. Sri Lanka de Bandaranayeke familie. In het westen vindt men alleen in de VS een dergelijk fenomeen: de Kennedy clan. Het is typerend voor een politiek waarin het meer om het imago van personen gaat dan om zaken. Het verschaft zowel politici als het volk een charismatisch personage dat men kan identificeren met het geheel (partij, beweging, land) en zorgt zo voor eenheid en stabiliteit. Een familienaam die de continuïteit aangeeft. Een leider die, zoniet democratisch, dan toch emotioneel en ‘magisch’ ondubbelzinnig aanspraak kan maken op het leiderschap. Hij of zij heeft in de ogen van het volk de kwaliteit van opvolger of van wreker, die de strijd voortzet en niet verleid kan worden door de gevestigde machten. Hij kan de strijd niet verraden en biedt zo een garantie voor het volk, dat hem vertrouwt. Benazir heeft een onmiskenbaar charisma, en bovendien is zij door haar ouders grootgebracht met politiek. Haar "statement of beliefs" staat in haar boek "Pakistan, the gathering storm" uit 1983. Hierin zegt zij dat de PPP een partij is van de armen en rechtelozen. Haar slogan is "brood, kleding en onderdak voor allen, door een socialistische economie". Haar politiek is democratisch en haar geloof islamitisch. De laatste formulering duidt op haar wens geloof en politiek gescheiden te houden in een seculaire staat, maar benadrukt tegelijkertijd dat Pakistans leider natuurlijk niets anders dan islamitisch kan zijn.

De PPP maakt deel uit van de Movement for Restoration of Democracy, de MRD, maar is daarin veruit de belangrijkste partij. De fundamentalistische partijtjes maken er geen deel van uit. Zij maakten gemene zaak met Zia, die hen beloonde met het premierschap van Mohammed Khan Junejo. Toen deze echter wat te eigenzinnig werd, werd hij direct ontslagen. Zia kondigde toen de verkiezingen van november '88 aan, die Benazir won.
De vraag voor velen was toen: Wat gaat ze doen nu ze aan de macht is? Ze was tijdens de verkiezingen teruggekomen op haar socialistische ideeën en had gezegd dat de PPP een sociaal-democratie zoals in West-Europa wilde vestigen. De val van de Berlijnse Muur lag nog een jaar in de toekomst. Ook zei ze dat er een goed investeringsklimaat geschapen moest worden voor binnen- en buitenlandse ondernemingen. Dat klonk meer als een liberaal beleid gebaseerd op de ‘supply-side economics’ van Milton Friedman en anderen. In haar boek uit 1983 schreef ze nog dat de economie geheroriënteerd moest worden volgens socialistische lijnen, op grond van een programma dat onder andere inhield: heronderhandelen van de buitenlandse schuld, een importverbod op alle goederen behalve de meest noodzakelijke, het verhogen van de productie in de landbouw door de ontwikkeling van eigen, passende technologie en een landherverdeling gebaseerd op een gedwongen verkoop van land boven een bepaalde maximale oppervlakte en het aanmoedigen van particuliere coöperaties. Verder moest Pakistan een zuiver ongebonden land worden en de verdragen met de VS moesten worden opgezegd. Ze pleitte voor het erkennen van het communistische Babrak Karmal bewind in Afghanistan en voor een vriendschappelijke relatie met alle buurlanden, met name India. Het eigen leger moest op een paar divisies na ontmanteld worden.
Van deze radicale ideeën bleef zo goed als niets over tijdens haar regering, die juist de vrije markt stimuleerde en probeerde te bezuinigen op de bureaucratie. In 1990 werd haar regering onder druk van islamisten en het leger met beschuldigingen van corruptie door de president van Pakistan ontslagen.


