Kathmandu
- 18 mei
- 8 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 5 jun

Een lange en vermoeiende busreis vanuit hectisch Varanasi door een allengs groener en lieflijker wordend landschap brengt je naar de grens. Het is dan laat in de avond, en je gaat direct door de douane, de Indiase langzaam en irritant, de Nepalese efficiënt. Na een overnachting in het Nepali Guest House volgt een nog vermoeiender busreis door Nepal. Eerst is het landschap vlak, dan rijdt de bus naar het oosten over de Pokhara-Kathmandu weg door een riviervallei, de weg soms hoog boven de rivier. Hier en daar zijn smalle loopbruggen van touw over de rivier gespannen. Dan slingert de vallei zich naar het noorden tussen steile, groene heuvels en brengt de reizigers tegen het vallen van de avond in Kathmandu. Het is donker en het regent want het is maart. Het onweer rommelt. Het is koel en het ruikt naar regen op steen en stof. Een verademing na de hete, droge vlaktes van India; dit is duidelijk het noorden.

Kathmandu is niet druk, er is weinig verkeer en geen lawaai. Het oude centrum bestaat uit smalle, kris-kras lopende straatjes, het nieuwe gedeelte is wijd en rechtlijnig. De stad wordt omringd door bergen. Het opvallendst zijn de pagodes; de Hindu tempels met de opgestapelde daken, een puur Nepalese architectuur. De Boeddhistische tempels zijn grote koepels met een spits erop. Vlak onder de spits kijken de ogen van de Boeddha naar de bergen in de verte. Maar Kathmandu leeft voor vijftig procent van het toerisme. Niet het massatoerisme van Europa, maar het toerisme van de trekkers en de internationale budgetreizigers die de stad van de hippies hebben overgenomen. De reizigerscultuur, met haar wortels in de zestiger jaren, is in het straatbeeld bijna even belangrijk als de Nepalese cultuur. Een overvloed van restaurantjes (Italiaans, Spaans, Grieks, Mexicaans), hotelletjes, kampeerwinkels, trekkingorganisaties, tweedehands boekwinkeltjes, 'pieshops', en winkels met 'handicrafts'. Op straat zitten handelaren met Nepalese en Tibetaanse waren: kleren, messen, gebedsmolens, bellen, juwelen, thankas, amuletten, boeddhabeeldjes.

In een van de restaurantjes liep ik zoals velen voor mij een voedselvergiftiging op die het maken van een trektocht onmogelijk maakte. Ik deed desondanks een poging, door de bus naar een dorp aan de rand van de Kathmandu vallei te nemen. De weg voerde langs steile berghellingen. Diep beneden was een rivier. Iedere vierkante centimeter van de hellingen was ontdaan van begroeiing en benut voor terrasjes met rijstplanten. Het leek of de bergen door de mensen waren gebeeldhouwd. De bergen liepen door naar de verte tot aan een brede wolkenlaag. Daarachter waren hoog oprijzend de besneeuwde toppen van de Himalaya. De bus zat vol met Nepalese boeren, allemaal met reusachtige jute zakken met rijstplantjes bij zich die op het dak gelegd werden. Ze droegen de zak op hun rug, aan een band om hun voorhoofd. Mensen langs de weg sprongen op de rijdende bus en gingen op het dak zitten.
Vlak buiten het dorp zat ik een middag aan de rivier op een van de grote, witte keien en later hoger op de helling in het gras in een bocht van de rivier met een mooi uitzicht. In het guesthouse waar ik hier verbleef poetste ik die avond gedachteloos mijn tanden met behulp van regenwater uit een waterton. Net te laat besefte ik mijn fout, en vermoedelijk haalde ik hier de onwelkome gast en mee-eter binnen die pas twee jaar later aan het einde van zijn levensloop plotseling terechtkwam in een toilet in het Haagse Zeeheldenkwartier. De volgende dag lag ik de hele dag in bed. Ik besloot terug te gaan naar Kathmandu.
In Kathmandu was Holi aan de gang. De plaatselijke opgeschoten jeugd bekogelde voorbijgangers met ballonnetjes met verfwater, met poederverf en soms met modder. Terwijl ik me per riksja van het busstation naar een hotelletje liet vervoeren gooiden jongens van de daken emmers water naar beneden. Dit alles in navolging van de practical jokes van Krishna, de incarnatie van Vishnu in de Mahabharata. Het festival werd 's avonds besloten met het ontsteken van vuren.

De volgende dag liep ik rond als een zombie. Mijn benen voelden slap en ik had een duizelig gevoel in mijn hoofd. Af en toe schoten er krampen in mijn buik waardoor ik mezelf seconden lang voorover moest buigen. Ik bracht een bezoek aan het Patan Hospital, een nieuw ziekenhuis in het stadje Patan, dat tegen Kathmandu aanligt. Na twee en een half uur in de rij gestaan te hebben voor registratie drong ik door tot een dokter in de 'male clinic'. In deze ruimte zaten drie dokters, tezamen met een twintigtal Nepalezen die op bankjes zaten te wachten. Patiënten werden geholpen onder het oog van dit aandachtig publiek. Van de dokter kreeg ik, nadat men een 'stooltest' had laten uitvoeren, een aantal pillen.
Het was het begin van het nieuwe trekkersseizoen en de meeste hotelletjes zaten vol. De eerste dag verbleef ik in de Pagoda Lodge, in een hol dat net iets groter was dan mijn bed. De wanden en het plafond waren bekleed met riet, zodat het, als ik op bed lag, net leek alsof ik in een mand lag met een deksel erop. Of in een doodskist. Rechts naast het voeteneind was een raampje met kippengaas er voor dat uitkeek over een binnenplaatsje achter de keuken van het restaurant. Wat ik van de keuken zag deed mij begrijpen waarom ik ziek geworden was. Van de Pagoda Lodge verhuisde ik naar de Century Lodge iets verderop. Ook een oud gebouw met lage plafonds en deurtjes waar je iedere keer je hoofd stootte. Hier werd ik 's nachts wakker van het gepiep en het rumoer van grote ratten die in het kapotte plafond heen en weer liepen. Ik begreep toen pas de bedoeling van de grote stok die in de hoek van de kamer stond.

De Pagoda Lodge en de Century Lodge bevinden zich in wat Freakstreet genoemd wordt, het oude centrum van de hippiescene. Maar in Freakstreet zijn geen freaks meer. Ondanks de boekwinkeltjes, de reisbureaus (Luxury bus to Delhi, Agra, Varanasi - good student discount), de kledingwinkeltjes en de Lodges is het een stil straatje. Toch kan je er niet lopen zonder op zachte en vertrouwelijke toon aangesproken te worden met: 'Money change?........Hasj?' Het laatste nog een stuk zachter, als een soort echo van het eerste. De sprekers zijn jonge, anonieme Nepaleesjes. De toeristen zijn backpackers van de tachtiger jaren. Amerikanen, Engelsen, Duitsers, Scandinaviërs.
Vanuit Freakstreet loop je een groot plein op - Basantapur, met het koninklijk paleis: de Hanuman Dhoka. Op het plein zit altijd een lange rij handelaren met vele soorten messen en sieraden. In het verlengde van het plein, verbonden via een kort straatje, ligt Durbar Square, met een rommelige groepering van tempels, waar het verkeer van riksjas, Nepalese wandelaars en fietsers en Europese trekkers rustig tussendoor kabbelt. De grootste tempel is de Kasthamandap, het Huis van Hout, gebouwd in de twaalfde eeuw op het kruispunt van handelswegen waar Kathmandu ontstaan is. Een god kwam in vermomming naar de vallei om de festivals te zien die de mensen er vierden. Priesters herkenden hem en vingen hem in een toverspreuk, waaruit hij zich vrijkocht met een hemelse boom. Van het hout van deze boom werd een gemeenschapshal gebouwd, overdekt door drie daken boven elkaar, van groot naar klein: de Kasthamandap. Later werd van het huis een tempel gemaakt gewijd aan de god Gorakhnath, die in het midden van de hal in een houten kooi zit.

Vanaf Durbar Square een lange, smalle straat naar het noorden uitlopend, laverend tussen de voetgangers, de hardrijdende fietsers en de riksjas die je bijna scheppen met een van hun achterste wielen, kom je in Thamel, het nieuwe centrum van de westerlingen, die of net terug komen van een trek of er net aan gaan beginnen. Meerdere Freak Streets, maar ook hier zonder freaks. Er lijkt geen Nepalees in deze wijk te zijn die niet op een of andere manier zijn brood verdient aan het toerisme. Maar ze zijn zeer discreet, zoals alle Nepalezen. Ze zijn zo vriendelijk en bescheiden dat ze nauwelijks opvallen. Ze zijn een onderdeel van een interessante couleur locale en houden zich beleefd op de achtergrond. Als er een plotseling je aandacht opeist lijkt het alsof er een etikette gebroken wordt.
Nepalezen zijn zachtaardig maar ook een beetje sloom. Als je ze de weg vraagt:
- You know where the busstation is? -
staren ze je smachtend aan:
- ? -
- The busstation. -
- What? -
- Bus station! -
- Bussestation! Yes, thisseway...........and then...........left! - (wijzend naar rechts).

In Thamel is de Pumpernickel Bakery. Hier komt iedereen in Kathmandu vroeg of laat terecht. Aan de straatkant is de winkel, waar broden, koeken en gebak te koop zijn. Door een smal gangetje bereik je de achterplaats, vol met rieten tafeltjes en stoelen, een paar bomen, struiken, bloempotten, en Parijse straatlantaarns. De muziek is van Dire Straits, en Paul Simon. De reizigers en trekkers zitten aan de tafeltjes met thee en koek, en hier barsten de verhalen los. Verhalen over India, over de bergen, over reizen, over de boeken die iedereen onderweg leest - The Snowleopard, Journey in Ladakh, Freedom at Midnight. Mensen met verbrandde gezichten en een kwaadaardige hoest praten over Tibet. Vanaf die kant blijkt het mogelijk te zijn de grens over te komen. De meesten hebben een ding gemeen, ze zoeken naar iets, maar niemand weet wat.
Een westerse vrouw in Nepalese kleding, met een rode streep verf op het voorhoofd en een blond kind met, ook naar Nepalees voorbeeld, een bloot onderlijf, plukt een aantal bloemen uit de bloempotten en wordt door de bediening beleefd doch met nadruk verzocht dit niet meer te doen. De laatste freak van Kathmandu?

Nepal is een speelgoedlandje. De enige stad is Kathmandu. Op een groot grasveld, omringd door een hek, oefenen speelgoedsoldaatjes. Ze exerceren, doen karateoefeningen en staan in de houding om toespraken aan te horen. Aan de kant van het veld weg van het stadscentrum zijn veel militaire gebouwen met marcherende groepjes soldaten. Politieagenten hebben modieuze uniformen. Iets blauws, Amerikaans. Nepal heeft ook een koning, wiens portret op veel plaatsen te bewonderen is, onder andere op ieder bankbiljet, en die als standbeeld, gezeten op een paard, midden op een groot kruispunt staat. In levende lijve is hij zelden te zien. Hij verblijft in een paleis dat lijkt op een Hilversums radio-omroepgebouw. Soms zijn er parades. Ruiters in Engelse rode uniformen met zwarte beremutsen, een zwarte koets of twee waar hoogwaardigheidsbekleders in moeten zitten, en een aantal staatieauto's. Soldaten houden langs de hele weg de Nepalezen aan de kant en leggen het verkeer stil. Op vele plaatsen hangen rode spandoeken over de straat: 'Long live international peace'. Als het aan Nepal ligt blijft het vrede in de wereld.
Een somber kijkende Nepalees zoekt zich voorzichtig een weg tussen de rieten tafeltjes en biedt de mensen iets te koop aan, maar iedereen wimpelt hem af. Dan komt hij naar mij toe en gaat naast me zitten. Hij toont me kleine amuletjes met het zwart-witte yin en yang teken.
-'Vijf rupees maar.'-
Ik heb geen belangstelling en geef hem mijn standaard reactie:
-'Nee dank u, vandaag niet.'-
-'Vier rupees dan.'-
-'Nee, dank u.'-
-'Ik heb ze zelf gemaakt. Vier rupees is erg goedkoop.'-
Ik geloof niet dat hij ze zelf gemaakt heeft. Waarschijnlijk heeft hij ze gewoon gekocht.
-'Ik heb ze echt zelf gemaakt, ik heb geld nodig.........Eigenlijk ben ik boer maar ik had teveel schulden. Ik ben naar de stad gekomen om wat te verdienen.'-
Hij spreekt goed Engels.
Dan zegt hij verwijtend:
-'Waarom koopt u ze niet? Voor u is vier rupees niets, voor mij is het een heleboel. Ik heb het nodig. Ik heb een vrouw en kinderen.'-
Ik weet niet wat ik moet doen, maar voordat ik kan beslissen staat hij vermoeid op, stopt de amuletjes in zijn zak, en loopt langzaam weg naar de uitgang.


