top of page

    Delhi. Studenten, bureaucraten en politici

    3 dagen geleden
    18 minuten om te lezen

    Model Town



    Vanochtend werd ik voor zonsopgang wakker van muziek en gezang. Ik stapte uit bed en keek uit mijn deur. Het was koud en nog helemaal donker. Alleen aan de horizon kondigde een vaag grijze strook de komst van de dag aan. Ik liep naar de rand van het dak en zag uit het tempeltje beneden me een groot aantal in lange jassen gehulde gestalten tevoorschijn komen en zich verzamelen in het oranje schijnsel van de straatlantaarns. Er klonk luid en snel gezang van harde mannenstemmen, begeleid door een snel ritme van slagwerk en af en toe een harde klinkende klap van metaal op metaal, met een uiterst sinistere klank. Langzaam trok de groep zingend voorbij en verdween tussen de huizen. Het doel van de ceremonie ken ik niet, en ook de aard van het tempeltje is mij onbekend. Er wapperen twee rode vlaggen op het uivormige dak en boven de deur staat een tekst over yoga en meditatie. Het tafereel maakte een onheilspellende indruk en ik dook snel mijn warme bed weer in.

    Even later hoorde ik een flink rumoer buiten mijn deur en ik dacht dat ze me kwamen halen.


    Toen ik opstond had het straatje zijn normale aanzien weer aangenomen. De theeverkoper twintig meter verderop had klandizie van drie riksjarijders. Het is een mager kereltje met een wat onelegante lichaamsstructuur. Een lange kin, hoge schouders en een achteruit stekend bekken. Hij is erg vriendelijk. Hij zit de hele dag bij zijn gammele tafeltje met scheve poten dat tegen een muurtje is gezet, en waarop een pan melk, een bus thee, een bus suiker, een ketel en een gasbrander met een steelpannetje staan. Er tegenover is een lager muurtje, met er tegenaan een simpele houten bank, die laat in de middag altijd bedekt is met vliegen. Hierop zaten de drie riksjarijders te genieten van hun glas thee. Plotseling klonk er een luid gekraak en het bankje brak in tweeën, wat de riksjarijders gedrieën op de grond deed belanden. Met geschrokken en beschaamde gezichten krabbelden ze snel weer overeind.


    Achter het muurtje met de theeverkoper staat op een open terreintje, afgescheiden door een laag ijzeren hek, een klein sloppenwijkje met vijf of zes bakstenen bouwseltjes bedekt met daken van golfplaat en vodden, waarop allerlei objecten liggen: banden, oud roest, een kapotte stoel. Of de daken als bergruimte gebruikt worden of dat de objecten het dak moeten verstevigen weet ik niet. Achter de hutten staan riksja’s en bakfietsen. De arme mensen die hier wonen werken op een bouwterrein aan de andere kant van de straat en aan een groot huis in aanbouw iets verderop. Alles gebeurt met arbeidskracht. De vrouwen dragen stapels bakstenen op het hoofd. De mannen, in sarongs, doen graafwerk. De steigers bestaan uit met touw aan elkaar vastgeknoopte bamboestokken en balken. Ik verbaas me erover dat het resultaat toch altijd een modern huis of kantoorgebouw is.


    Tegenover het sloppenwijkje staat een schooltje. Sommige kinderen worden met een riksja gebracht, die hen dan tegen de middag weer komt halen als ze in hun rood en blauwe schooluniformpjes van het schoolpleintje met gras en bomen de straat op komen krioelen als mieren uit een verstoorde mierenhoop.


    Verderop, om de hoek, waar ik niet meer kan zien, is het veel drukker. Langs de kant van de straat staan daar verscheidene verkopers van chole bathure (een puri met bonen, wat ik altijd als ontbijt eet), van vruchtensap (het fruit keurig opgestapeld op de karren) en van een lekkernij vervaardigd van pinda’s, suiker en caramel. Ook staat er een blauwe bestelwagen waarin een Tibetaan of Sikkimees chow mein staat te bereiden. De vlammen likken over de rand van de zwarte ijzeren pan heen en hij mishandelt pan en chow mein met een grote spatel. Soms wipt hij de pan op en werpt de chow mein in de lucht.


    Mijn woninkje bestaat uit één kamer. Hij staat op het platte dak van een drie verdiepingen tellend huis, en heeft een stenen kast, een bed en twee ramen, waarvan een met een kozijn. Het glas is er echter uit zodat ik 's nachts lig te bibberen van de kou, zonder matras en met maar één deken. De rest van het dak is mijn terras, met een reling en een waterkraan. De kraan staat onder stroom, waarom weet niemand. Ik kan hem alleen openen met behulp van een stuk hout. Het water vang ik op in een plastic emmer. Een van de kinderen van beneden die soms op het dak spelen raakt de kraan per ongeluk wel eens aan, waarna er een vreselijk gehuil opstijgt en het slachtoffer door de anderen weer naar beneden gebracht wordt.


    Vanaf het dak kan ik een eind de straat in kijken. Ook zie ik andere straatjes, de huizen met de platte daken en binnenplaatsjes waar vrouwen bonen zitten te doppen of bij elkaar op een houten bed zitten. Ik zie de telegraafdraden en de dolende koeien die rond het vuilverzamelhuisje scharrelen, en die wel degelijk gemolken worden, misschien als niemand kijkt. Een paar huizen

    verder is het terreintje met de sloppen. Als ik achterom kijk zie ik wijde akkers met keurige voren van geploegde aarde, een stuk rivier en hoge rood-witte elektriciteitsmasten, en naar rechts de opgestapelde bebouwing van oostelijk Delhi. Ik zit hier aan de rand van de stad.



    Er is veel verschil in de kwaliteit van de huizen, overeenkomstig het inkomen van de bewoners. Deze wijk, Model Town, is een typische middenklasse wijk, maar er staan ook riante bungalows van de hogere klasse, waar soms grote feesten aan de gang zijn. Het huis waar ik in woon is een eenvoudig maar degelijk middenklasse huis. Drie verdiepingen, met een binnenplaatsje en een uitgang naar de straat, afgesloten door een hek. Op het binnenplaatsje is het toilet en de badkamer, met heet water, maar alleen uit de kraan en niet uit de sproeier. De eigenaar van mijn kamer woont met zijn familie op de benedenverdieping. Twee andere families wonen erboven, ieder met balkonnetjes en toiletten.

    Mijn kamer is me bezorgd door Rajiv, een student politicologie. De makelaar was een vriend van hem zodat de commissie lager uitviel dan gebruikelijk. Rajiv heeft een elementaire manier van spreken. Hij blaast lucht door zijn mond en moduleert die snel met tong en lippen. Het geeft een geluid als van een leeglopend ballonnetje. Hij is een groot prater, en gooit stortvloeden van snel en onduidelijk uitgesproken Indiaas Engels over me heen. Hij is uiterst energiek en is actief in de studentenpolitiek. Daarnaast organiseert hij liefdadige zaken als bloeddonatie en de ontvangst van de Peace March naar Delhi vanuit de Punjab. 's Nachts kalkt hij leuzen op de muren: ‘Join the student union!’, en plakt pamfletten op. Dit alles om naam te maken en contacten te bewerkstelligen met invloedrijke lieden en politici die de universiteit gebruiken om veelbelovende studenten op te pikken. Studenten die bovendien een gevolg op de been kunnen brengen: ‘Union zindabad!’. ‘Stop gundaism!’



    Vooral de Delhi University Law Faculty en Political Science Faculty zijn broedplaatsen van toekomstige politici. Soms komen politici op bezoek, en er hangen allerlei figuren rond die er niet studeren maar een of andere connectie hebben met een politieke partij, waaronder de zogenaamde gunda’s: boefachtige types gespecialiseerd in intimidatie, provocatie en aanstichting van rellen. Rajivs plan is om nu positief op te vallen, dan na zijn studie vijf jaar in het leger te gaan, ‘to build up my personality’, en dan aan verkiezingen mee te doen. Voor zijn campagne heeft hij vijf à zeshonderdduizend roepies nodig, die hij voornamelijk zal moeten verkrijgen uit contacten met zakenlieden.



    Hans Bhavan


    Ik daalde de stenen trappetjes af naar de binnenplaats, werkte me door het wasgoed heen naar het hek en liep de straat op. Een grote koe stond de inhoud van de vuilnisemmer te inspecteren. Het weer was heerlijk koel en zacht, waarschijnlijk zo'n 20 graden. Toch had ik een trui bij me omdat het koele briesje dat er waaide 's avonds vaak aanwakkerde tot een koude wind, zodat het zonder zonneschijn snel kon afkoelen. Even verderop stelde een buurman zich aan mij voor. Een grote en welvarende man met een donker gezicht die door verscheidene voorbijgangers gegroet werd. Hij deelde mij mee dat hij vrijelijk omging met mensen met weinig bezit. Ook bood hij aan mij Hindi te leren, iedere avond twee uur met mij te kaarten en een brief aan mijn vader te schrijven om hem te zeggen dat hij garant voor mij stond terwijl ik langer in India bleef om een MBA te doen aan de Delhi University. Dit alles in de eerste vijf minuten. Hij bleek bij de politie te werken, en zat vroeger bij de geheime dienst van India. Deze dienst moest er volgens hem voor zorgen dat niemand in India vervelende dingen doet. Hij vertelde mij met een brede glimlach dat onder de legergebouwen in het Red Fort, het grote 17-eeuwse Moghul fort van Delhi, ‘torture rooms’ zijn, waar gearresteerde boeven en terroristen geslagen en met elektrische schokken behandeld worden om informatie over hun kameraden los te krijgen. ‘They do many things there, nobody knows about it, but it's there.’


    Ik liep de lange straat uit, langs de winkeltjes en langs het parkje waar jongens vaak cricket spelen, en stelde me op bij de bushalte aan de Ring Road. Zoals altijd stond er een groepje mensen naar het aankomende verkeer te turen, op zoek naar een geschikte bus. Als er een aan kwam begon men onrustig positie te kiezen aan de rand van de weg. Gedurende de enkele seconden die de bus stopte sprongen mensen er van voren uit en werkten mensen er zich van achteren in. Ze hingen nog in trossen buiten de deur terwijl de bus al weer wegreed. Een enkele ongelukkige werd achtergelaten.


    Ik had geen zin om onderweg over te stappen dus wachtte ik op de enige bus waarvan ik wist dat hij mij rechtstreeks naar mijn plaats van bestemming zou brengen, bus nummer 180. Ook deze was natuurlijk overvol. Als de volleerde busrijder die ik intussen was geworden liet ik iedereen voorgaan en rende enkele meters met de wegrijdende bus mee alvorens een hand om de deurpost te klemmen en een voet tussen de andere voeten op de treeplank te zetten. Als buitenste man van het zich aan de deur vastklemmende clubje liet ik me door de open lucht vervoeren en wachtte rustig tot de massa zich langs de conducteur heen naar binnen had geperst.


    Enkele bushaltes en veel nieuwe passagiers verder bevond ik me echter al weer noodgedwongen midden in de bus, waar de mensen op elkaar gedrukt in het benauwde gangpad stonden. Passagiers die eruit wilden moesten zich tussen de mensenkluwen heen naar voren wurmen, waarbij vooral de dikke buffelachtige vrouwen in sari’s het moeilijk hadden.


    Bij een van de bushaltes ving ik een glimp op van een kapper die zijn vak uitoefende onder een hoge boom langs de weg. Twee stoelen stonden tegenover elkaar opgesteld. De ene een hoge stoel, als een kinderstoel, waarop de klant zat, de ander klein, maar staande op een tafeltje. Op die stoel stond een spiegel. De klant zat met gevouwen handen en achterover leunend hoofd. Hij had kleine lijdzame oogjes. Zijn gezicht was ingezeept. De kapper, jong, met een baard en dringende, ietwat loensende ogen, maakte snelle en competente slagen met een scheermes die scherpe banen maakten in het witte schuim.



    De bus volgde de Ring Road, langs de wijk van de Delhi University, en dan naar het zuiden langs de parken aan de rivier waar Nehru en Indira en Sanjay Ghandi gecremeerd waren, en Raj Ghat, waar Mahahatma Ghandi gecremeerd was, en sloeg dan rechtsaf, langs het Ambedkar Stadion, en dan linksaf, langs de gebouwen van de Indian Express, naar Tilak Bridge. Hier wierp ik mij door de voordeur naar buiten, terwijl de bus verder reed naar Connaught Place, het centrale plein van New Delhi. Het was nu een half uur later.

    Het doel van mijn tocht was het Foreigners Registration Office in het Hans Bhavan, waar ik nu eindelijk mijn visum hoopte te verlengen. Dit had ik vijf dagen geleden al aangevraagd, maar de vervelende bloedzuiger achter zijn bureautje, met rommelig opgestapelde, met paperclips en nietjes bij elkaar gehouden papieren en paspoorten, zei dat ik een ‘sponsorship’ van een Indiër nodig had, een garantieverklaring voor de persoon, omdat Indiërs die naar Nederland wilden die sinds kort ook nodig hadden. Een zelf opgestelde verklaring ondertekend door een buurman bleek de volgende dag niet voldoende te zijn. De bureaucraat had verzuimd te vertellen dat er een speciaal formulier voor was dat 25 roepies kostte, en dat de sponsor persoonlijk naar het kantoor moest komen. Hierop werd ik beheerst kwaad, wat de man de bekentenis ontlokte dat ik ook naar mijn ambassade kon gaan, want die gaven ook sponsorships uit. De ambassade bereikte ik na een drie kwartier durende bustocht door het centrum van Delhi natuurlijk net na sluitingstijd.


    Ik dacht dat ik India uitgeschopt zou worden. 's Avonds kwam Rajiv echter langs en zei dat hij met gemak een lijst van honderd mensen kon opstellen die mij allemaal konden sponsoren. Met ieder probleem moest ik naar hem toe komen. Hij hield er niet van alles over zichzelf te vertellen maar hij was ‘belangrijk’.


    Maandag kreeg ik van de ambassade geen sponsorship. Die gaven ze zowiezo niet. Verder wisten ze van niets, zoals op ambassades gebruikelijk is. Ze dachten dat de ambtenaar die Nederlanders behandelde iemand was die in werkelijkheid al lang overgeplaatst was naar een andere functie. Wel gaven ze een geschreven ondersteuning van mijn verzoek om visumverlenging. Met die ondersteuning begaf ik mij weer naar het Hans Bhavan, waar na anderhalf uur in de rij gestaan te hebben bleek dat de kwal die Nederlanders behandelde alleen 's ochtends aanwezig was.



    Vandaag liep ik dus voor de zoveelste keer de trappen van het Hans Bhavan op en stapte het Foreigners Registration Office binnen. Het was een typisch Indiaas kantoor: het was er een zooitje. Langs de wanden stonden bureaus opgesteld bedekt met paperassen, waarachter zich de ambtenaren bevonden. Achter hen stonden witte bordjes met teksten als: ‘Counter 4 Non-Commonwealth countries J-Z’. Voor ieder bureau stond een rijtje buitenlanders en enkele Indiërs. Nette zakenlieden, Indiërs met stapels paspoorten van mensen die hier aan een of ander project werken, en alternatief geklede reizigers, allen door elkaar. Dit was naast Madras de enige plaats in India waar buitenlanders hun visum konden verlengen.


    Uren gingen voorbij terwijl de ambtenaren traag, onverstoorbaar en muggenziftend stempels en handtekeningen zetten en formulieren invulden. Soms rinkelde er een telefoon: ‘Hello?!.....Hello?!.....Hello?!.....’

    De onderhandelingen werden op gedempte toon gevoerd, overbeleefd en diplomatiek, om de man achter het bureau geen moment uit zijn humeur te brengen, opdat het verzoek tot visumverlenging, reentry visum of registratie ingewilligd zou worden. Soms werden ergens de stemvolumes luider en werd er dringend geargumenteerd wanneer een ongelukkige stuitte op een permanente weigering van de ambtenaar. Men was tamelijk onvermurwbaar en een weigering kan een gedwongen vertrek uit India betekenen.


    Twee Fransen met vreemdelingenlegioengezichten zagen eruit alsof ze de elfstedentocht gingen doen. Een Afrikaan probeerde in slecht Engels een bureaucraat tot rede te brengen, maar die hield genadeloos aan: ‘But how much money do you have in your bankaccount? One dollar? One million dollars?’ Een beladen stilte was het antwoord, en even later liep hij geslagen het kantoor uit.

    Uiteindelijk stond ik voor mijn in een blauw regenjack geklede nemesis. Hij bekeek het papier van de ambassade en verklaarde dat het geen sponsorship was, en begon er tegen zijn buurman over te klagen: ‘Look what they give. And they ask Indians to specifically name sponsors and it takes months before they do anything’. Behalve de verklaring van de ambassade moest ook mijn paspoort het ontgelden, want dat was in mijn geldriem door het meer dan een jaar lang meedragen in Azië met zweet doordrenkt en een vod geworden. Tot mijn opluchting verstrekte hij echter toch na veel gesputter en gemopper de driemaandse verlenging van mijn visum. Het kostte 375 roepies.



    Delhi University



    Op de hoek aan de overkant van de straat, naast de Indian Express gebouwen, was een kleine open ruimte waar de ruwe houten banken en tafels van een restaurant waren neergezet. Hier at ik op mijn gemak palak paneer met chapati’s: een nattig, pittig mengsel van spinazie en geitenkaas met het Indiase verse brood. Daarna stapte ik op een langskomende bus nummer 240, die naar de universiteit ging. Deze was gelukkig niet zo vol. Ik kocht voor een roepie een kaartje bij de conducteur achterin en ging op een open plek zitten, en werd grotendeels langs dezelfde weg als ik gekomen was teruggevoerd. Langs de crematieplaatsen, en aan de andere kant van de weg zag ik nu de lange rode muren van het Red Fort, het Lal Qila, met het groene grasveld ervoor waar op zondag de sunday market wordt gehouden. Nu stond er een circus opgesteld.


    Na een poos sloeg de bus linksaf de universiteitswijk in, en spoedig stond ik op het bekende punt achter de Law Faculty, zodat ik via een opening in een laag muurtje een leeg veld over kon steken alvorens het pleintje voor het faculteitsgebouw te bereiken. Langs de gallerij op de begane grond waren bloembakken neergezet, het resultaat van de verkiezing van Mehmood Pracha als president van de Student Union van de rechtenfaculteit.


    In november was er volop campagne gevoerd. Het hele rechtengebouw was volgehangen met spandoeken: ‘Mehmood Pracha for president!’, ‘Kamini Lau welcomes you all!’ Nu en dan trok er een kandidaat met slogans roepende volgelingen voorbij, en op de dag voor de verkiezingen werden er speeches gegeven op het plein. De issues waren voornamelijk triviaal, zoals meer boeken in de bibliotheek en betere faciliteiten in de ladies room: een ruimte waar alleen vrouwen mogen zitten. Ook wilde men anti-sociale elementen de toegang tot het faculteitsterrein ontzeggen. Naar aanleiding van enkele onduidelijke incidenten was er op de dagen vlak voor en na de verkiezingen voortdurend een groepje relpolitie aanwezig dat luierend op het grasveldje in de hoek van het plein rondhing.


    Mehmood Pracha, een lange, wat Afghaans, bijna westers uitziende jongen, die zijn verkiezing waarschijnlijk voor een niet gering deel aan zijn uiterlijk te danken had, ging als president meteen in hongerstaking tot de dood, samen met vijf anderen. Dit om te protesteren tegen de weigering van de docenten de examens te verplaatsen van december naar januari. In oktober was er een poos een docentenstaking voor hoger loon geweest, wat ze overigens niet gekregen hadden, en de studenten claimden dat ze daardoor te weinig voorbereidingstijd hadden gehad. De studenten waren destijds tegen de docentenstaking geweest, wat de docenten hen natuurlijk kwalijk namen. De hongerstakers lagen op matrassen met dekens over zich heen op de veranda voor de faculteit. In eerste instantie leek de zaak te gaan escaleren toen een aantal studenten door de relpolitie werd gearresteerd omdat zij de professor-in-charge zouden hebben ingesloten, maar twee dagen later gingen de docenten plotseling overstag, en werden de examens verplaatst naar 1 januari.


    Ik liep de donkere, koele ruimte van de bibliotheek in en zag de studenten aan de donkerbruine houten tafels zitten met hun rug naar de ingang. Anamika zat zoals zo vaak het politieke nieuws in de krant uit te spellen in plaats van te studeren. We namen de krant mee naar buiten en gingen op een muurtje aan de rand van het grasveld zitten. Bij de tegen het hek opgestelde theeverkoper bestelden we thee, wat ons gebracht werd door zijn hulpje, een jongetje van een jaar of tien, gekleed in een groen geruit colbertje dat Anamika hem gegeven had. Samen keken we de krant door.

    De uit de Congres Partij gedeserteerde V.P. Singh, die nu de oppositie aanvoerde, werd door een van zijn vroegere partijgenoten een ‘onbegraven karkas’ genoemd. Zijn gezichtje keek op de voorpagina minzaam de lezer aan. De linker- en rechterzijde van het oppositiefront: de communistische CPI en de Hindoe-traditionalistische BJP voerden een ideologische strijd en sloten elkaar uit van eventuele samenwerking na een verwachtte verkiezingsoverwinning op de regering van de Congres Partij. Lachende derde zou dan Rajiv Ghandi zijn, de premier.


    Het gerucht ging dat de gevreesde Sikh-terrorist Penta in Delhi was. Een aantal terroristen was aan boord van een van de overbeladen vrachtwagens op de Grand Trunk Road vanuit Haryana de stad binnengekomen. Nadat ze door een patrouille ontdekt waren was er bij een schietpartij een terrorist gedood terwijl de anderen ontsnapten. Een van hen zou Penta zijn. Op sommige plaatsen in de stad waren wegversperringen met gewapende politieagenten achter opgestapelde zandzakken. Niet dat er veel gecontroleerd werd, daar was geen beginnen aan. Op sommige plekken, zoals bioscopen en de ondergrondse Palika Bazaar op Connaught Place, werden mensen afgetast met metaaldetectors en af en toe gefouilleerd.


    De Delhi Police, veel verguisd maar nooit verbeterend, is een vertrouwd straatonderdeel in de stad. Gekleed in donkerbruine uniformen van ruwe stof, soms gewapend met een lange bamboeknuppel, de lathi, slenteren ze in groepjes over straat, als spijbelende kwajongens, zonder doel. Ze werpen

    brutale blikken naar vrouwen en maken opmerkingen. s' Avonds staan ze in hun nieuwe landroverachtige autootjes ergens langs een straat opgesteld, altijd op dezelfde plaats. Binnen zitten ze te praten in het licht. Het zijn bijna allemaal lange, magere, primitieve Haryana-types, met zeer weinig opleiding en training. In feite zijn ze totaal ongeschikt als politieagenten in sociale zin, ze doen het alleen goed als klappenuitdelers en stenenopvangers bij rellen.


    De politie was in een slepend conflict verwikkeld met de advocatuur. Ze verweten elkaar corrupt te zijn: een ruzie tussen de pot en de ketel. Onlangs noemde een rechter de politie een ‘organized gang of gundas’. Een poosje geleden was er door de Vereniging van Advocaten een staking georganiseerd uit protest tegen de behandeling van een van hun collega’s door de politie. Deze collega was in een universiteitsgebouw aangehouden op beschuldiging van diefstal van een handtas van een studente. Waarschijnlijk had hij de handtas slechts voor korte tijd willen ‘lenen’ om achter het adres van de studente te komen, hetgeen hier een bekende truc schijnt te zijn. Hij moest vervolgens een ruwe behandeling ondergaan en in boeien voor de rechter verschijnen, iets wat zelfs met terroristen niet gebeurt. Ook de beschuldiging was volgens de advocaten vals.



    De hele zaak was gepolitiseerd. De advocatuur was op de hand van de oppositie, en de politie, met de door de overheid benoemde gezagsdragers, stond aan de kant van de Congres Partij. De advocaten wilden een bijdrage leveren aan de ‘Remove Rajiv’ campagne die op het politieke strijdtoneel van Delhi op succesvolle wijze gevoerd werd door de Jan Morcha partij van V.P. Singh en de Indian Express van Arun Shouri. Op een gegeven moment kwam het op het terrein van het Lower Court tot een uitbarsting. Provocateurs, waarschijnlijk van de Congres Partij, begonnen de aanwezige politiemensen met stenen te bekogelen, waarop die een zogenaamde lathi charge uitvoerden op de advocaten. Na de lathi charge, die scherp veroordeeld werd door de Indian Express en toegejuicht werd door de Hindustan Times, eisten de advocaten het ontslag van de verantwoordelijke officier van politie: Kiran Bedi. Dit was een vrouw die juist een positieve en progressieve invloed had op het politieapparaat.


    Een paar weken later was er een demonstratie van de advocaten, die ik op Janpath langs zag komen. Van Connaught Place waren ze op weg naar Rajpath, waar het presidentiële paleis staat. Veel oudere mensen, allen in slecht zittende zwarte colbertjes, witte overhemden en grijze of gestreept grijze broeken. De Student Union van de Law Faculty was solidair. Vier studenten hielden een spandoek op, maar ze waren zo slim om twee aan twee op een scooter te zitten in plaats van te lopen. De hele stoet werd voorafgegaan en begeleid door degenen waartegen ze demonstreerden: een vijftigtal in bruin gestoken politiemannen met lathi’s en helmen.



    Ram Lila Ground


    Bus 240 stopte op zijn terugroute aan de voorkant van de faculteit, en we hoefden maar even te wachten voor er al een exemplaar opdook. We gingen op weg naar Ram Lila Ground, waar de RSS vandaag een grote bijeenkomst hield. We waren uitgenodigd door Rajiv, die een paar bussen met studenten had georganiseerd. Rajiv is naast de universiteitspolitiek uiteraard ook erg geïnteresseerd in de landelijke politiek, en giet altijd emmers vol informatie uit over zijn grote naamgenoot, en over de misstappen van diens vrouw Sonia en van allerlei Chief Ministers die op bezoek zijn in Delhi. Volgens mij zijn al die ‘affaires’ gewoon roddel die Rajiv opvangt op de colleges. Rajiv en zijn vriend Alok, die sociologie studeert, en volgens zijn naamplaatje ‘secretary of NSS, Hindu College Delhi’ was, hebben ons ook uitgenodigd voor een ontmoeting tussen studenten en Rajiv Ghandi. Eens zien wat er van komt.


    Toen we aankwamen op Ram Lila Ground was de bijeenkomst al in volle gang, en Rajiv, die ons op zou wachten, was in de menigte natuurlijk niet meer te vinden. RSS staat voor Rashtryiya Swayamsevak Sangh, dat Nationaal Vrijwilligers Corps betekent. Het is in 1925 opgericht door fanatiekelingen van de Hindu Mahasbha, een religieuze, fundamenteel hindoeïstische organisatie met een ideologie van hindoe communalisme. De RSS is geen politieke partij, zoals de BJP, maar is bedoeld als een zelfverdedigingsorganisatie voor hindoe’s, die haar leden opleidt in zelfverdedigingsmethoden. Toen in 1949 vanuit een samenzwering van een aantal RSS mensen Mahatma Ghandi werd vermoord, omdat men hem te pro-islamitisch vond, werd de organisatie enkele jaren verboden. Tegenwoordig is het een niet onbelangrijke groepering die, hoewel de hindoes over het algemeen niet bepaald fanatiek zijn, toch een behoorlijke aanhang heeft.


    Het grote grasveld was omsloten met tentdoek. Vooraan stond een hoog podium in oranje en witte kleuren. Een aantal mannen zat aan een tafel met achter hen een groot rijzende zon symbool met aan weerszijden de (omgekeerde) swastika en een ander hindoeïstisch symbool. Aan weerszijden daarvan hingen twee grote foto’s, links een swami-type met baard en lang haar, rechts een politiek type, met een glad gezicht en een fez-achtig petje op.


    Voor het podium zaten op de grond in kleermakerszit ongeveer 25 rijen van 40 mannen, zo'n 2 meter van elkaar af. Allen droegen een zwart petje, een wit overhemd en een grote bruine korte broek, zo wijd dat het soms jurken leken. Ieder had een lange dikke bamboestok bij zich. Indiërs dragen nooit korte broeken, dus voor het eerst zag men bruine, harige Indiase benen, van enige ouderdom, want de meesten waren van middelbare leeftijd. Er omheen zat op nette rijen stoelen een keurig publiek met een grote vertegenwoordiging van gezinnen met kinderen. Tussen het publiek liepen nog meer korte broeken met stokken rond. Na enkele afgebeten bevelen in een tenorstem vanaf het podium stonden alle op de grond zittende mannen op hun gemak op en werd er een lang en plechtig gezang gezongen. Daarna ging men weer zitten en volgde er een lange toespraak. Het geheel hield het midden tussen een Nazi volksfeest en een bijeenkomst van oud-padvinders. Tijdens de toespraak klonk door luidsprekers van een gebouw verderop, afnemend en aanzwellend met de wind, de klaaglijke islamitische zang: ‘Allah'uh akbar!’, een pesterij en uitdaging van moslims.


    De meningen over de RSS zijn verdeeld. Volgens sommigen is het een perfide, communalistische organisatie die ijvert voor Hindustan, een hindoemaatschappij zonder plaats voor andere religies. Rajiv steunt de RSS omdat deze traditionele waarden benadrukt en nationalistisch en gedisciplineerd is. Rajiv zelf is een atheïst.


    Per motorriksja verlieten we Ram Lila Ground en reden naar Chandni Chowk, de hoofdstraat van Old Delhi die van het Red Fort naar het westen, naar de grote moskee leidt. Het was inmiddels tegen vijven. Vanwege het spitsuur begon de straat vol te stromen met het hele scala van voertuigen dat India te bieden heeft. Het verkeerslawaai nam snel toe en de lucht raakte verzadigd met uitlaatgassen.


    De huizen in de straten van Old Delhi zijn zonder patroon opgestapeld met veranda's, gallerijen en balkons. Geen enkel huis is hetzelfde en de daken bevinden zich op verschillende hoogtes. Een wirwar van electriciteitsdraden is opgehangen aan scheefstaande palen. Ze lijken op lianen in een oerwoud. Aan de vieze ongeverfde gevels hangen honderden grote en kleine reclameborden, schots en scheef. Het is frappant hoe verschillend de straten er uit zien bij dag en bij nacht. Wat overdag een drukke, rommelige maar normale straat is, is 's nachts een onderwereld. In de schemering vloeien de contouren van de gebouwen in elkaar over en neemt alles de grijze vaagheid van de lucht aan. Als het helemaal donker is dompelen de oranje straatlantaarns de straat in hun doffe, doodsachtige licht, waardoor alle individuele vormen vervagen en de opeengepakte chaos van voetgangers, riksja's, scooters, bussen, auto's en vrachtwagens in een amorfe massa begint te versmelten. De straat wordt begrensd door de huizen en door de nacht, wat hem de beslotenheid van een tunnel geeft. De ruimte binnenin wordt gevuld met het continue lawaai van ronkende en knetterende motoren en toeterende claxons. Wolken uitlaatgassen kringelen in de lichtbundels van koplampen. Bij bushaltes staan de silhouetten van groepen in dekens gehulde mannen die op desperado's lijken. De vale oranje gloed wordt gecontrasteerd door de fel verlichtte winkelinterieurtjes, de restaurantjes met rijen grote metalen pannen op stenen fornuizen en de snoepwinkeltjes met kleurige bolletjes en blokjes snoepgoed opgestapeld achter glas. Tussen alles door scharrelen koeien, die als de avond vordert een schuilplaats zoeken in een bushalte.

    Chandni Chowk verschilde niet van dit algemeen nachtelijk straatbeeld, was er misschien wel het beste voorbeeld van. Ergens in deze door mensen geschapen wildernis aten we in een smoezelig restaurantje aloe mutter en malai kofta met versgebakken chapati's, terwijl buiten het leven doorwoekerde, onophoudelijk en ondoorgrondelijk.

     
     
    bottom of page