De versleten Boeddha
Ayutthaya

De tempels staan geslagen in de zon. In de vochtige hitte voeren ze hun eenzame strijd tegen verval. Planten kruipen langs de verweerde stenen omhoog. De vegetatie en de rommelige akkers en palmbomen erom heen zijn verwikkeld in hun cycli van bloei en verderf in tropisch tempo. Dwars door de seizoenen van vruchtbaarheid en dood heen overleven de stenen bouwsels al eeuwen, maar aan hun voet zinken de reeds afgebroken brokstukken langzaam weg in de weke bodem. Een klein tempeltje, of misschien is het een voetstuk voor een Boeddhabeeld, wordt geheel omstrengeld door de wortels van een dode boom die er bovenop staat. De wortels hadden zich tussen de stenen ingewrongen en persten in een trage maar dodelijke wurggreep het bouwsel kapot, totdat ze zelf stierven. Verkruimelend steen en verbleekt hout zijn nu één geheel, innig verbonden.
Er staat hier een zestal grote tempels, zo'n twintig meter hoog, allen in de vorm van steile piramides uitlopend in lange spitsen. Er tussenin staan kleine Boeddhabeelden op sokkels. Van de meeste zijn de hoofden en armen afgebroken, zodat mediterende rompen overblijven. Twee tempels lopen niet spits maar stomp toe, zoals Indiase tempels. Aan twee zijden leiden smalle trappen met hoge treden naar deuropeningen ongeveer halverwege. In de opening van de ene tempel zitten twee Thaise mannen sigaretten te roken. Ze dragen sjofele kleren en kijken uitdrukkingsloos naar beneden.
Ik loop door de lome hitte naar de andere tempel en klim langs de trap langzaam naar boven, goed kijkend of de treden stevig genoeg zijn. De wand van de tempel is begroeid met bladeren. Bij de opening aangekomen draai ik me om en kijk uit over het weelderige palmgebladerte. Een paar honderd meter verder zie ik de Chao Phraya rivier. Grijs, traag stromend water. Erin ligt een lange, platte boot met een ronde, golfplaten overspanning. Drie meisjes in sarong zwemmen in het water ernaast. Verder weg liggen de verspreidde tempels en stupa's van Ayutthaya. De meeste aan de overkant van de rivier zijn ontdaan van vegetatie en staan op kort gehouden gazons. Eens was Ayutthaya de hoofdstad van het Thaise rijk, voordat het verwoest werd door de oorlogszuchtige Burmezen. Na een paar eeuwen een welvarende stad en een centrum van cultuur geweest te zijn werd het toen verlaten en teruggegeven aan de natuur. Naast het gebied met de ruïnes ligt nu het moderne stadje Ayutthaya: lelijk, stoffig en heet.
Ik draai me om en stap door de opening.
Binnen is een kleine ruimte met steenbrokken en gruizel op de vloer. Tegenover me, in het halflicht, zit de Boeddha. Om hem heen is het pleisterwerk gedeeltelijk van de muur gevallen en bakstenen komen er doorheen. Boven hem is de muur en het plafond geblakerd met een vieszwarte kleur. De Boeddha heeft de linkerhand in de schoot, de rechter op zijn onderbeen. Hij zit kaarsrecht, heeft een smal middel en brede schouders. Maar hoewel al zijn ledematen er nog aan zitten ziet hij er vreselijk uit. Vieze bruine en zwarte plekken hebben zijn lichaam aangetast, en er zitten gaten in. Ook op de linkerkant van zijn gezicht, om zijn mond en om zijn ogen is het zwart, wat zijn ooit serene gelaatsuitdrukking vervormt tot een debiele, zelfgenoegzame grijns. Zijn smalle ogen kijken voor zich uit alsof hij een eeuwig binnenpretje heeft. Rond zijn mond lijkt gemorst eten te zitten, als van een seniele bejaarde die gevoerd moet worden. Erger nog, zijn geschilferde en besmeurde gedaante ziet eruit als een in ontbinding verkerend lijk. De naar binnen gereflecteerde zon zet alles in een troebel, geel schijnsel.
Verwaarloosd zit de Boeddha daar, eeuwen geleden verlaten, in de steek gelaten door de priesters die hem dienden en de gelovigen die hem eer bewezen, maar die na de verwoesting van de stad wegtrokken om ergens anders opnieuw te beginnen, en hem niet meer nodig hadden.
Terwijl rondom hem de natuur niet veranderd is, nog steeds even weelderig en uitbundig, en terwijl de mensen nog steeds even onrustig en gedreven hun onduidelijke doelen nastreven, is de Boeddha oud, verrot en vergeten. Hij zal nooit meer de oude worden. Hoogstens wordt hij nog eens een museumstuk, en in plaats dat mensen hem offers brengen zullen toeristen hem vluchtig komen bekijken (de zoveelste Boeddha), een foto van hem maken en het koperen plaatje met summiere informatie over zijn herkomst en ouderdom lezen, zonder het langer dan een paar seconden te onthouden.


