Dak onder de sterren
- 13 mei
- 31 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 16 aug
Tibet
26 maart 1988 - Over de Vriendschapsbrug.

Een hele poos dacht ik dat Simon in de laatste stopplaats de bus had gemist, maar toen we eindelijk aankwamen bij de Chinese grens bleek dat hij al die tijd op het dak had gezeten. Leunend op zijn rugzak, te midden van een dertigtal Nepalezen, was hij in de open lucht tussen de bergen en de bossen vervoerd, terwijl ik in het volgepakte interieur zat, het stekeltjeshaar van een slapende Nepalees op mijn schouder.
Het laatste dorp in Nepal was niet meer dan een rij proviandwinkeltjes en elementaire hotelletjes langs de ongeplaveide weg. Achter de huizen liep een snel stromend riviertje, het water in de stroomversnellingen glinsterend wit. De vallei werd hier behoorlijk smal en werd omgeven door steile hellingen van zwart en rood gesteente dat door de lichte begroeiing heen schemerde.
Dit dorp had onder de reizigers en trekkers in Kathmandu lange tijd een zekere populariteit genoten omdat men van hieruit China kon zien. De drempel van Tibet was echter altijd een onneembare hindernis geweest. Verlangend hadden veel westerlingen de vallei in gestaard waar het land lag dat eeuwenlang verboden was voor buitenlanders. De Panchen en Dalai Lamas met hun kloosterorganisaties zegelden hun onderdanen effectief af van kwade invloeden. Alleen een vreemde verzameling individuen wist Tibet binnen te dringen. Indiase spionnen voor het Britse rijk, Kozakken spionnen voor de Tsaar, missionarissen voor God, en avonturiers voor zichzelf.
Totdat de Britten er genoeg van kregen en hun cricket en polo weer eens afwisselden voor een koloniaal oorlogje. In 1903 liep de jonge Francis Younghusband met duizend soldaten en vier kanonnen naar Gyangtse en slachtte in vier minuten 700 met musketten bewapende Tibetanen af. Een jaar later arriveerde hij in Lhasa. De Dalai Lama vluchtte naar Mongolië en Younghusband legde Tibet een handelsverdrag op. (Younghusband raakte er trouwens in de ban van mysticisme, verliet zijn militaire loopbaan en schreef boeken over spirituele wijsheid.)
Van toen af ging het iets makkelijker. In de twintiger jaren schreef een Boeddhistische Française van middelbare leeftijd een boek waarin zij Lhasa bereikt verkleed als monnik. Bovendien ziet zij Tibetaanse monniken in de lucht zweven. Lange tijd werd getwijfeld aan het waarheidsgehalte van dit boek, maar tegenwoordig twijfelt men weer wat minder en is zij een feministische coryfee. Na de tweede wereldoorlog schreef een ontsnapte Duitse krijgsgevangene een boek waarin hij zeven jaar in Tibet zit als vluchteling voor de Britten. De Chinezen kwamen in 1951 en de Dalai Lama vluchtte naar India. Inmiddels heeft het tijdperk van het kolonialisme plaats gemaakt voor het tijdperk van het toerisme en China acht de tijd gekomen om de barbaren alsnog toe te laten en hen het liefst groepsgewijs te ontdoen van hun buitenlandse valuta. Een paar jaar nadat de Chinezen twee poorten hadden geopend in Hong Kong en Peking ging ook de grens met Nepal open. Het regelen van een visum in Kathmandu was een tijdrovende en kostbare zaak, maar toch ontstond er een stroompje van reizigers die zich begaven op de legendarische weg naar Lhasa.
China lag verderop in de bocht van de vallei. De grensovergang was een smalle brug, de 'Vriendschapsbrug', die de weg van de ene helling naar de andere voerde. We pakten onze rugzakken en volgden het weggetje langs de rivier in de richting van de brug. Achter ons kwamen nog twee westerlingen: Mario en Patrick.
Een grens is pas een echte grens als hij gevormd wordt door een riviertje in een dergelijk woest gebied. Er was weinig verbeeldingskracht voor nodig om in de tegenoverliggende helling Chinees grondgebied te zien, ook al zag hij er in niets Chinees uit. Wel was hij kilometers lang een ruïne van puin en afgebroken bomen. Op de top was een rumoerige maar onzichtbare arbeid aan de gang. Er klonken ontploffingen en stenen kwamen te midden van wolken stof naar beneden donderen. Eén keer ving ik hoog boven me een glimp op van een bulldozer die tegen een boom duwde.
Het weer begon te betrekken, en terwijl we op de brug af liepen zakte het wolkendek voorzichtig naar de bergtoppen toe.
Op de brug stond een eenzame Chinese soldaat, gekleed in een wijd, groen uniform, met een grote pet op het hoofd en het gladde, regelmatige gezicht van een etalagepop. Ik stelde hem meteen maar de vraag:
- Are you Chinese? -
Helaas zei hij niets, maar bladerde onze paspoorten door en gaf ze terug met een bemoedigende glimlach. Dus liepen we door, over de brug heen, naar de geruïneerde helling.
We bleven een eind langs het riviertje naar het noorden lopen en zagen hoog boven ons een weggetje met huizen erlangs dat tegen de berghelling op zigzagde: Khasa, het Tibetaanse grensplaatsje, dat de Chinezen Zhangmu noemen. Het leek of een reusachtige Zorro met zijn degen een dubbele Z in de berg had gekerfd. Op de plaats waar we nu stonden verkeerde de helling nog in zijn oorspronkelijke toestand. Hier was een paadje dat steil naar boven liep en zodoende alle hoeken van het weggetje afsneed en de afstand van zo'n 10 kilometer naar Khasa aanzienlijk terugbracht. Langs dit pad begon een dertigtal met bagage beladen mensen naar boven te klauteren. Sommigen droegen hun eigen last, anderen waren dragers, die onder aan de helling hadden staan wachten op de buspassagiers. Verderop stonden vijf of zes oud model vrachtwagens met Chinese chauffeurs waarvan er twee de zigzag weg op naar boven reden. Simon en ik liepen er achter aan.
We werden gevolgd door een van de dragers, een jongen van een jaar of zestien, die misschien vanwege zijn jeugd nog geen last had weten te bemachtigen. De lucht werd hier al merkbaar ijler, en zwoegend onder onze rugzakken kwamen we maar moeizaam vooruit. Simon zuchtte en steunde. Hij had behalve noodzakelijkheden ook dingen als een transistorradiootje en een walkman met een verzameling cassettebandjes bij zich en zijn rugzak woog dan ook loodzwaar. Zijn boosheid richtte zich op de tergende aanwezigheid van de drager die ons als een hyena bleef volgen, wachtend tot een van ons het opgaf. Simon wilde zelf zijn rugzak helemaal naar boven dragen.
- Ik snap niet waarom je ons volgt! - riep hij vertwijfeld. - Je bent je tijd aan het verspillen. Kom op, ga terug! -
De jongen zweeg echter en bleef vriendelijk glimlachend achter ons aan lopen.
Vermagerd en verzwakt door mijn ziekte in Kathmandu en de voortdurende diarree zette ik zonder veel overtuiging de ene voet voor de andere. Ik voelde me krachteloos en beschouwde de drager als een handige en onbetaalde back-up waar ik eventueel op terug kon vallen. Die capitulatie deed zich eerder voor dan ik gedacht had. Na meerdere haarspeldbochten kruisten we voor de zoveelste keer het steile rotspaadje. We zagen de anderen boven ons, veel verder gevorderd dan wij. Onderaan stond de vijfde westerling uit de bus, een kleine zwartbebaarde Fransman, die op het merkwaardige idee was gekomen om in Tibet te gaan fietsen. Hij had daartoe een simpele maar stevige fiets met terugtraprem meegenomen, die hij zojuist, samen met zijn rugzak, aan twee dragers had overgegeven. Simon besloot achter ze aan het rotspad op te lopen, en ik gaf op slag mijn rugzak aan de jongen. Deze nam hem dankbaar aan. Ik liet hem zien hoe de rugzak gedragen werd maar hij wilde het zo niet doen. Hij droeg hem zoals alle dragers hun lasten dragen: met behulp van een stuk touw om het voorhoofd, diep voorover gebogen.
Ik klom over de scherpgerande rotsblokken naar boven. Mijn benen voelden als zandzakken, maar omdat ik nu niets meer droeg begon ik de anderen in te halen, waaronder de drager met de fiets, die veel moeite had met de onhandelbare vorm. Voorzichtig klimmend, stappend op stenen die soms los bleken te zitten, bereikte ik na een uur de top. Inmiddels waren de wolken nog lager komen te hangen. Grote nevelflarden zakten langzaam de vallei in en begonnen de Vriendschapsbrug diep beneden ons aan het oog te onttrekken. Een twintig meter onder mij klommen de laatste mensen over de nu nat en glibberig geworden stenen naar boven toe. De op een na laatste was mijn drager, de laatste was Simon, zijn korte maar stevige gestalte dubbelgebogen als een knipmes onder zijn rugzak, zijn gezicht vlak bij de rots. Hij had een mooi staaltje onverzettelijkheid getoond en ik feliciteerde hem dan ook toen hij hijgend naast me stond. De mist trok zich nog dichter om ons heen en een ogenblik keken we beneden ons naar de verdwijnende vallei. Toen liepen we de nu vlakke weg naar Khasa op.
De controle van de Chinese douane, die gevestigd was in een nieuw gebouwtje langs de weg, was een formaliteit. Men moest op een formulier invullen welke waardevolle objecten men bij zich had. Hier nam ik ook mijn rugzak weer over van mijn drager. We waren dertig roepies loon overeen gekomen in plaats van de vijftig voor de hele afstand. Hij vroeg nu echter met een ontwapenende glimlach om het volle loon, en ik gaf het hem maar. Het begon langzaam harder te regenen en de vallei was nu helemaal dichtgestopt met wolken. Een ondoorzichtbare grijze muur had zich opgesteld tussen ons en Nepal, dat echt voorgoed verdwenen was. De laatste meters naar de eerste huizen van Khasa legden we af in de stromende regen, die met volle kracht was losgebarsten en ons in een oogwenk kletsnat maakte. Slippend snelden we de eerste barak binnen, waarvan de deur open stond. Er was niemand, maar de ruimte stond vol met bedden en was kennelijk een slaapzaal. We gooiden onze rugzakken af en luisterden naar de regen die op het dak kletterde en buiten de weg in een modderpoel veranderde.
27 maart - Momo's in Khasa

Het eerste dat ik zag toen ik onder de stapel dekens vandaan kroop was het gedroogde karkas aan de muur. Een akelig ding, ribben en beenderen bespannen met gladde, bruinzwarte huid, ineengeschrompeld, maar zo groot als een geit of een schaap. De kop was er af.
We hadden met zijn vieren geslapen in het huis van een Chinese familie die haar bedden verhuurde. De kamer waarin we sliepen stond vol met huisraad, eetservies en drie bedden. Mario en Patrick hadden we er ook heen verwezen en de laatste had op de vloer geslapen. Het eenvoudige huis zat vol grote kieren en voor het raam hing slechts een doek, maar dikke dekens beschermden ons tegen de kou.
Er bleek in Khasa een kleine internationale gemeenschap gevormd te zijn van reizigers uit Nepal die op een bus wachtten. Dit was niet de gewone bus, die iedere dag reed, maar een van de luxe Japanse bussen die gecharterd konden worden voor de tocht naar Lhasa. Hoe groter de groep, hoe lager de kosten per persoon uitvielen. Sommigen wachtten al drie dagen, en aten noedelsoep en momo's in de enkele schuurtjes die voor restaurantjes doorgingen. Ook arriveerden er soms mensen vanuit Tibet, die naar Nepal gingen. Dik in de kleren gepakt, met roodverbrande gezichten en rechtopstaand haar van het stof. Velen hadden een kwaadaardige hoest. Hun lokale Chinese geld werd door de bank niet geaccepteerd, dus wisselden we met hen onze 'Foreign Exchange Currency', oftewel FEC, tegen de zwarte markt koers.
Om buitenlanders beter te kunnen controleren krijgen ze in China voor hun dollars speciaal geld, dat er veel mooier uit ziet dan het gewone 'Renminbi', RMB, oftewel Volksgeld, waar de Chinezen het mee moeten doen. De FEC is bij de Chinezen zeer geliefd omdat ze er luxe goederen mee kunnen kopen in de Vriendschapswinkels, die eigenlijk ook alleen voor buitenlanders bedoeld zijn. Vandaar dat er zich een levendige zwarte geldmarkt ontwikkeld heeft waarvan de koers varieert per plaats, afhankelijk van de verhouding tussen het aantal buitenlanders en het aantal handelaren. Buitenlanders behoren alles met FEC te betalen, maar iedere keer als ze met RMB betalen zijn ze dankzij de zwarte markt 30 tot 60 procent goedkoper uit.
Het oude vrouwtje en het meisje bij het kookvuur op de grond keken ons onderzoekend aan terwijl we hun kamer doorliepen naar de deur. Buiten was het weer droog. De regen van gisteren lag in grote plassen op de weg en de lucht was nu diepblauw, en deed of er niets gebeurd was. Het was helder en koel. De begroeide berghellingen aan de overkant van de vallei waren schitterend donkergroen in de zon.
We liepen een houten trap af en zochten ons een weg door de modder. Het huis stond bijna boven in het dorp en we maakten verscheidene zigzaggen naar beneden voor we een restaurantje in een van de barakken indoken. Tot onze verbazing bleek de hele westerse kolonie plotseling toch de lokale bus te gaan nemen. Er was weliswaar een Japanse bus aangekomen maar deze maakte geen aanstalten om snel weer terug te gaan. Men had daarom eensgezind besloten niet langer meer te wachten. Om te zien of we nog mee konden gingen Simon en ik naar het buskantoortje, maar de bus bleek volgeboekt. We kochten een kaartje voor de volgende dag.
Aan de muur hing een pamflet waarop in het Engels stond dat Tibet bevrijd was door China. In het verhaal eronder werd in propagandistische taal uitgelegd dat Tibet een theocratisch-feodale maatschappij was waarin een kleine elite van religieuze heersers de bevolking van arme boeren uitbuitte. Na de bevrijding werd Tibet een onderdeel van socialistisch China. De boeren zijn geen pachters meer maar produceren voor de staat.
Terug in het restaurantje praatten we gevieren over de uitrusting die we bij ons hadden, en over vorige 'trips'. Patrick, blond krulhaar en dikke ronde brillenglazen, was een jaar eerder per motor uit Frankrijk vertrokken om over land naar Azië te rijden. Het had een lange voorbereiding gevergd en uiteindelijk reed hij, alle visa op zak, en met een kampeeruitrusting bij zich, door Europa naar Turkije. Verder kwam hij niet. Terwijl hij in een hotelletje in een Turkse stad de nacht doorbracht werd zijn motor met alles erop en eraan gestolen.
Simon, blond, met een Brits bulldog gezicht, waaruit zijn onverstoorbaarheid sprak, was een ingenieur, en was op weg naar Hong Kong, waar hij wilde gaan werken. Hij verwachtte niet dat dat moeilijk zou zijn, vanwege zijn Britse nationaliteit en zijn beroep.
Mario was een Frans-Canadees en sprak Frans met Patrick en Engels met ons. Hij was de enige die al eerder in China geweest was en was vast besloten het meeste reizen nu per boot te doen.
Een lelijke Tibetaan die de momo's kookte maakte bezwaar tegen de aanwezigheid van Simon en ik. De dag tevoren hadden we ruzie met hem gemaakt omdat hij ons twee keer zoveel liet betalen als de Chinezen. We negeerden hem.
Later liep ik met Simon door het dorp naar boven. Aan de bergkant van de weg stonden echte huizen, aan de andere kant alleen barakken. Erachter viel de helling direct weg naar beneden. Op sommige plaatsen langs het weggetje waren huishoudelijke artikelen en prullaria ter verkoop op de grond uitgestald. Mensen stonden er voor, waaronder soldaten. Hun uniformen waren belachelijk wijd en slechtzittend. Klein onder hun hoge en brede speelgoedpetten leken ze zich verkleed te hebben voor een operette waarin ze figureerden. Na de laatste huizen liep de weg op dezelfde hoogte verder, rondde de heuvel en verdween uit het zicht. De helling naast de weg werd hier gebruikt als openbaar toilet.
De vallei was mooi. Een canvas van diepgroen en donkerblauw. Dit was de weg naar de Himalaya. Onzichtbaar, maar heel dichtbij, waren de besneeuwde toppen van het hooggebergte.
28 maart - Dak onder de sterren

Het afscheid van de Chinese familie viel zwaar. We hadden tegenstrijdige interpretaties van de afspraak over het te betalen bedrag. De moeder wilde dat we meer betaalden en maakte veel misbaar. De dochter des huizes stelde zich met een verbeten gezicht op in de deuropening. Het was een stevige meid en was blijkbaar bereid ons in gijzeling te nemen. Argumenten in het Chinees en het Engels vlogen heen en weer zonder elkaar te raken, maar tenslotte kreeg ik er genoeg van en stopte de moeder de rest van het geld toe.
Na deze ontsnapping zaten we om 12 uur toch op onze plaatsen in de bus. Precies op tijd reed hij Khasa uit, waarna hij de loop van de vallei volgde in noordelijke richting.
De wanden van de vallei schoven nu steeds dichter naar elkaar toe, zodat een nauwe kloof ontstond. De weg naar de Tibetaanse hoogvlakte zou flink moeten gaan stijgen, maar in het begin gebeurde dat nog maar langzaam. Wel trad er een snelle verandering op in vegetatie. Terwijl de bus lange lussen maakte langs de berghellingen werd de natuur steeds weelderiger. De rotsen, die in Nepal nog schaars bedekt waren, werden nu onzichtbaar gemaakt door groene watervallen van bomen en struiken die golvend over elkaar heen tot diep in de kloof reikten Een tropische jungle was niet wat men hier zou verwachten. De begroeiing drong de weg op en grote trossen bladeren veegden langs de ramen van de bus.
Het duurde echter niet lang. De bus begon nu echt naar boven te klimmen en zienderogen verdween de vegetatie, totdat hij plotseling weer helemaal weg was. Het landschap veranderde als bij toverslag in een kale woestenij. De kloof werd weer breder, de zwart en rode rotsen hadden plaats gemaakt voor gladde, viesbruine bergen. Ver beneden lagen de lussen van het weggetje, de rivier was niet meer te zien. Naar achteren was het zicht heel anders dan naar voren, niet bruin maar wit. De noordkant van de bergen was bedekt met sneeuw, terwijl die op de zuidkant was gesmolten.
De bus zwoegde langzaam omhoog en werd gekleineerd door de omringende bergen. Als we uit een bocht kwamen rees plotseling weer een van de besneeuwde pieken van een Himalayareus op. Kolossale, gegroefde rotspartijen bedekt met sneeuw, zo ver boven in de diepblauwe lucht dat ze apart leken te staan als hemellichamen. De bergen vlak om ons heen waren er dwergen bij. En wat te denken van onze bus? De bus was een speldenknop in dit landschap, maar hij was het enige dat bewoog.
Enkele uren later weken de bergen weer terug, werd de weg vlakker, en kwamen we terecht in een ruimer en glooiend landschap. De weg boog naar het oosten, rees langzaam op uit de glooiingen en kwam tevoorschijn op de uitgestrektheid van de Tibetaanse hoogvlakte. Aan onze rechterkant lag nu over de hele horizon de ruggegraat van de Himalaya, een lange serie witte, hoekige pieken, scherp als haaientanden. Een van die bergen was de Mount Everest, maar ze leken allemaal even hoog. Ik schoof het raampje open om een foto te maken en een harde, ijzige wind sloeg naar binnen. De wind kwam uit de bergen en had op de besneeuwde vlaktes vrij spel. Ik nam twee foto's en sloot het raampje snel, terwijl de tranen over mijn wangen stroomden.
De rest van de middag reden we door het eindeloze maanlandschap van Tibet. De weg bestond uit onverhard steengruizel en liep over een wijde, ruwe vlakte, waarop nauwelijks begroeiing te zien was. Nu en dan rezen aan weerszijden vreemdgevormde rotsformaties op. Soms vingen we in de verte een glimp op van de besneeuwde Himalaya. Hier, op dit eentonige, woeste plateau, waren maar twee kleuren: grijs en bruin. Een paar keer leidde de weg weer lange tijd omhoog, en reden we over een pas, waar soms sneeuw lag. Als we over het hoogste punt heen gingen, meer dan 5 kilometer boven zeeniveau, riepen alle Tibetanen in de bus 'Latso!!', en wierpen snippers gekleurd papier uit de ramen. Op deze plaatsen stonden stapels stenen met gekleurde, door de wind geteisterde gebedsvlaggetjes eraan gebonden. De voorbijganger moet hier volgens oud gebruik een steen of een vlaggetje aan toe voegen om de ter plaatse huizende geesten kalm te houden, maar de bus stopt voor dit soort dingen in Tibet ook niet meer.

Tussen de passen in wees de weg kaarsrecht naar de einder, waarop tegen de avond een harde koperen zon ons in het gezicht scheen. De lucht werd fletsblauw en begon in de verte samen te vloeien met de stenen woestijn. Op het hele stuk vanaf de grens waren we maar enkele malen een tegenligger gepasseerd: vrachtauto's, die grote pluimen stof achter zich aan droegen. Het door de bus opgeworpen stof hing binnen als een dichte wolk die het zicht vertroebelde en overal indrong. Sommige Tibetanen hadden chirurgenmaskertjes voor hun gezicht gebonden, de rest hield sjaals of truien voor het gezicht. Toch was het onmogelijk te voorkomen de fijne deeltjes in te ademen en ik wist nu hoe de Tibetreizigers in Khasa aan hun hoestbuien waren gekomen.

Onderweg stopten we bij een controlepost, waar de Tibetanen hun identiteitspapieren moesten laten zien in een wit stenen huisje. Simon maakte hier een foto van mij: een lange gestalte in een geel-blauw regenjack leunt tegen een spoorboom over de weg. Boven de col van een zwarte trui is het gezicht half in schaduwen gehuld. Voor de deur van het controlehuisje staan wat Tibetanen. Ook Mario staat daar, met een ijsmuts op en de handen in de zakken van zijn jack. De laagstaande zon werpt zijn misvormde schaduw op de muur. Een gebochelde trol, met kleine kromme beentjes en een breed vooroverhangend lichaam.
300 meter van de weg lag hier in de luwte van een donkere berg een dorpje met langwerpige witte huisjes. Ervoor lagen de keurige rechte voren van een akker. Wat kan er nou groeien in dit barre land?
In het halfdonker reden we het legerkamp van Tingri-West binnen. Een serie barakken waar Chinese militairen gelegerd waren en waar de bussen tussen de grens en Xigatse 's nachts halt houden om te overnachten. Nu de zon was verdwenen bleef alleen de wind over en was het bitter koud.
Alle bagage werd vanonder het zeil op het dak van de bus gehaald en we liepen achter de Tibetanen aan naar een barak waar men tickets moest kopen voor een maaltijd en een overnachting. Tot onze ergernis bleek dat we voor beide het dubbele bedrag moesten betalen. We ontdekten bovendien dat dat ook voor de busreis het geval was geweest. Blijkbaar was dit het standaardbeleid tegenover buitenlanders.
Er stonden vier Chinese soldaten in het kantoortje, waarvan er een een beetje Engels sprak. De Tibetanen waren inmiddels met hun tickets vertrokken. We weigerden de dubbele prijs te betalen. Mario en ik probeerden hen met argumenten te overtuigen, de olijke Patrick probeerde het met grapjes en lachen. Simon pakte een boek uit zijn tas en ging demonstratief op de grond zitten lezen. Maar wat we ook deden, de Chinezen bleven onvermurwbaar, de zaak zat muurvast. Chinezen zijn hard, het is dubbele prijs of geen eten. Kwaad wierpen we het geld op tafel want we stierven van de honger. We liepen naar de slaapzaal, waar de Tibetanen zich al geïnstalleerd hadden, maar zij wezen ons naar een andere barak, waar we een aparte kamer kregen. Er stonden vier bedden, met dikke donzen dekens. Op een tafeltje stonden gekleurde thermosflessen met heet water. Licht was er niet. Ik trok mijn katoenen legerhemd aan onder mijn overhemd, trui en jack en kroop zoals de anderen gekleed onder de dekens. Zo lagen we in het donker te wachten tot het eten klaar was, ieder opgesloten in zijn eigen gedachten.
Een moment voelde ik de nacht en de hele diepte van het heelal erachter de paar kleine barakken omringen en neerdrukken tegen de vlakte. We waren nietige wezentjes bespot door de natuur.

En in dit harde, woeste land, dit dak onder de sterren, kerft de mens een bestaan. Zelfs in deze koude leegte van steen en lucht staan de sporen van de ploeg. De mens werkt hier al generaties lang op zijn akkers. Bij het vallen van de avond trekt hij zich terug in zijn huisjes, die dicht op elkaar staan, en stookt het haardvuur op. Buiten is het nacht, en uit de kosmos komen grote draken die hoog boven de huisjes cirkelen en verontwaardigd naar beneden kijken. De draken hebben lange, kronkelige lijven en vele poten met klauwen. Ze hebben menselijke gezichten met uitpuilende ogen en woeste haren. Ze spuwen vuur uit bekken met blikkerende tanden. Ze staan afgebeeld op de tanka's, op oude munten, op de heften van messen, en ze behoren tot het pantheon van geesten en demonen van de sjamanistische Bon religie, wier prehistorisch bijgeloof en zwarte magie is samengesmolten met het Boeddhisme, het Tibetaans Boeddhisme vormend. De religie houdt de mensen gevangen maar biedt tegelijk een bescherming tegen de enorme leegte die hen omringt. Het bevolkt de harde en levenloze natuur met wezens en betekenissen.
Twee uur later zochten we ons een weg door de ijskoude duisternis naar een grote schuur van waaruit licht door de deuropening viel. Etenswalmen dreven door het licht de nacht in. Binnen was het druk met Tibetanen die aan ruwe houten tafels zaten of rondliepen. Koks mishandelden met spatels schijfjes aardappel en groenten in zwarte ijzeren pannen. Vlammen likten over de randen heen en de rook wolkte hoog op naar de nok van het dak. Enorme pannen met rijst werden aangedragen en de gebakken groente werd in schalen op de tafels gezet. Er ontstond een chaos waarin alle Tibetanen vrij snel een kom rijst hadden en met stokjes uit de schalen begonnen te eten. Ons kostte het meer moeite, en in mijn door honger gevoede boosheid begon ik al opzet te vermoeden, maar tenslotte hadden ook wij gereedschap bemachtigd en kon ik mezelf volproppen met het rijstmaal.
We zaten allen aan de smoezelige tafels te eten en te praten en uit onze monden kwamen ademwolkjes. De paar gloeilampjes wierpen een akelig licht dat niet doordrong in de hoeken, waar kookspullen, dozen en zakken stonden opgestapeld. Er hing een walm van tabaksrook. Het voedsel maakte me warm, maar door de open deur stroomde de bittere kou naar binnen, die onder mijn kleren drong en rillingen langs mijn rug zond. Een Tibetaan maakte me duidelijk dat het niet goed was zoveel te eten, maar ik wist wel beter.
Terug in de slaapbarak waste ik mijn handen en gezicht met warm water uit de thermosfles en kroop in bed. Ik maakte een onrustige nacht door. Het was of er een groot gewicht op mijn borstkas rustte, en ik had het zo druk met ademhalen, om voldoende zuurstof binnen te krijgen, dat ik niet in slaap viel. Om een uur of twee was er de gebruikelijke gang naar het toilet. Ik strompelde door het donker naar de lage stenen muurtjes aan de rand van het kamp, en, voorzichtig de onzorgvuldig geplaatste drollen ontwijkend, en hurkend in de ijle stilte, onder de fonkelende sterrenhemel, stortte ik wat er over was van het rijstmaal in een van de putten.
29 maart - Chinese prickly ash with pungent bean curd

Om zeven uur, voor zonsopgang, zaten de passagiers weer op hun plaatsen in de bus, en was de bagage vastgesjord op het dak. Nadat de motor enkele minuten gelopen had zette de bus zich in beweging en reed tussen de in het donker schemerende barakken door het kamp uit. Bibberend van de kou in onze stoelen reden we door een langzaam oplichtend landschap. In het eerste vale licht van de ochtend was alles grijs, waarin dan geleidelijk mysterieuze vormen begonnen op te doemen. Ik had nog nooit zo'n onherbergzaam landschap gezien als dit Tibetaans plateau. Met de eerste zonnestralen werden sommige delen van de bergen fel verlicht, en het spaarzame gele gras kreeg een gouden kleur. Het waren vreemde bergen. Ronde puddingen, scherpe pieken, de meest grillige vormen. Ze wierpen fantastische en diepe schaduwen over het landschap, dat uit een Heer Bommel en Tom Poes verhaal leek te komen.
Met de stijgende zon veranderde het in goudstof gehulde decor echter in een saaie woestenij, de schaduwen weg, de rotsen ontdaan van hun magische dreiging. Urenlang veranderde er niets. Toen weken de rotsen terug en reden we door een steeds wijder wordende vlakte tussen twee bergruggen. Soms was in de verte het hooggebergte te zien. We begonnen meer dorpjes tegen te komen: levenloze nederzettinkjes van stenen hutten, en dan kuddes schapen, en meer geel gras, en hier en daar eenzame boeren in een akker, en dan, eindelijk, aan het eind van een lange, licht omlaag lopende weg: Xigatse.
Het was vier uur in de middag. Mario en Patrick togen direct naar het klooster van de stad, om de volgende ochtend meteen weer verder te kunnen naar Lhasa. Simon en ik ontdekten dat het busstationnetje ook barakken met slaapplaatsen bezat, waar we voor intekenden.
We liepen wat rond in wat een voornamelijk Chinees grensstadje bleek te zijn, het Tibetaans centrum omringd met een wijds opgezet stratenpatroon met blokvormige gebouwen in lichte kleuren. Er was geen verkeer, op wat Chinese legertrucks na. We liepen rustig door de lege straten tot we een serie barakken tegenkwamen waarin kleine restaurantjes gevestigd waren, met eenvoudige maar schone interieurs en in gebrekkig Engels gestelde menukaarten. Blijkbaar waren ze berekend op buitenlanders, misschien zelfs speciaal er voor opgezet, want wie anders maakte er gebruik van?
Op de lange busrit hadden we geleefd van in Kathmandu gekochte koekjes, die we één per half uur genuttigd hadden als kostbare delicatessen. In ieder geval hadden ze onze ingewanden niet meer verstoord dan ze al werden door de kuilen in de weg, die ons in onze stoelen drukten en dan omhoog gooiden als ballast, waarna we ons met pijnlijke gezichten weer moesten laten terug zakken. Simon en ik hadden beiden een mysterieuze parasitaire darmziekte (amoebiasis?, giardiasis?), die ons met tussenpozen met hevige buikkrampen en diarree aanvallen verraste. We aten daarom zo weinig mogelijk tijdens de voornamelijk stoploze bustochten. Nu vielen we met een razende honger aan op een gerecht dat omschreven werd als: 'Chinese prickly ash with pungent beancurd'. Bean curd was tahoe, wat prickly ash was werd ook bij het opeten ervan niet duidelijk.
In enkele restaurantjes verderop (altijd in restaurantjes) zagen we zowaar een aantal reizigers uit Zhangmu, en ook een paar nieuwe gezichten. Hoewel Tibet zo groot was als half Europa waren er maar drie stadjes: Xigatze, Gyangtze en Lhasa, en we begrepen dat je je nergens op straat zou kunnen vertonen zonder dezelfde mensen weer tegen te komen.
Ik slaagde er in van nog 100 yuan FEC af te komen door het te ruilen voor 135 RMB met een grote Tibetaan in kleurige kleding en felrode strengen in het haar. Hij gedroeg zich ongedwongen en nonchalant, maar wilde toch even een restaurantje binnenstappen om de illegale transactie uit te voeren. Zijn geld droeg hij in een grote buidel die om zijn middel was bevestigd, precies zoals ik dus, alleen verstopte ik hem onder mijn kleren.
Ook ontdekten we de voornaamste attractie van Chinese steden: de 'Department Store': een of twee eenvoudige, ruime zalen met vitrines met allerhande gebruiksartikelen. Kleding, gereedschappen, diverse ditjes en datjes, en zowaar zuurtjes en toffees, die per stuk verkocht werden, en waarvan we handenvol insloegen voor de lange busreizen. We bekeken de verzameling producten met grote interesse, alsof het een tentoonstelling betrof. Een Vriendschapswinkel bezat Xigatse zo te zien niet. Die winkels hadden meer luxe artikelen en souvenirs, en waren speciaal bedoeld voor residerende en bezoekende buitenlanders. Naast onze snoepjes kochten we een groot blik mandarijntjes, want verse vruchten waren hier waarschijnlijk niet.
Op dat ogenblik kreeg ik weer een fikse krampaanval, die me dubbel deed klappen om de pijn te verzachten. Toen de pijn weg was nam ik snel afscheid van Simon en ging met duizelend hoofd op weg naar onze overnachtingsplaats op het busstation, waar ik een toilet wist. Net op tijd bereikte ik de stenen muurtjes zonder dak, waar het zoals gewoonlijk een ontzagwekkende smeerboel was. Drollen lagen her en der verspreid, en de glijbanen naar de gaten toe zaten bij gebrek aan spoelwater vol met stront, spuug, papier en allerlei onbeschrijfelijks. Waarschijnlijk vanwege de kou stonk het er niet, en waren er geen vliegen. Gelukkig was er niemand anders, want natuurlijk waren er geen deurtjes, en het laatste waar ik behoefte aan had waren pottenkijkers tijdens een diarree aanval.
Hierna meldde ik me opgelucht bij het vrouwtje aan het busloket, dat met me mee liep om de deur van onze kamer open te maken, waarna ik de rest van de avond in bed doorbracht.
30 maart - Het geruïneerde fort

Het Tashilhunpo klooster was een verzameling witte en rode huisjes, in rijen boven elkaar tegen het onderste deel van een grijsbruine berg aan gebouwd. Het werd omringd door een witte muur, met aan de voorzijde een inham die naar een poort leidde. In de inham stonden karren met ezeltjes ervoor, en enkele tientallen mannetjes en vrouwtjes in dikke leren en wollen kleding: pelgrims die van het platteland waren gekomen om het klooster te bezoeken en een aantal malen om de witte muren heen te lopen.
Een vrachtwagen reed voorbij over de onverharde weg en wierp een dichte wolk stof omhoog die minuten lang zou blijven hangen, dus liepen Simon en ik de inham in en de poort door, die een geplooid, wit gordijntje langs de bovenkant had lopen. Binnen troffen we met ruwe stenen geplaveide straatjes en pleintjes aan, en grote en kleine vierkante gebouwen, allen met witte gordijntjes langs de dakranden en boven de deuren. Het was er schoon en stil. Het leek een keurig klein dorpje.
Via een steile houten trap met zeer smalle treden, en een ingang met een zware doek ervoor, kwamen we het grootste gebouw binnen, waarin zich een aantal grote donkere ruimtes bevond. Ze waren gevuld met geborduurde en geverfde doeken en vaandels, en altaren volgezet met allerlei voorwerpen en vlammetjes in schalen yakboter die een schemerig lichtschijnsel verspreidden en een vage, warme geur afgaven. In een van de ruimtes stond een grote zilveren stupa, waarin het gebalsemde lichaam lag van Chokyi Gyeltsen, de vierde Panchen Lama.
Waar de ogen het meest naar toe getrokken werden waren de duizenden beelden en beeldjes van boeddha's en bodhisatva's, van demonen en goden, het koper en brons glinsterend in het kaarslicht, terwijl duizenden paren geloken ogen de enkele pelgrims aanstaarden die langs de altaren schuifelden en er geschenkjes op achter lieten. De pelgrims leken wel uit een andere wereld te komen, of uit een heel ver verleden. Kleine mensjes met taaie, gelooide gezichten en ingepakt in dikke kleding, die onbevangen maar onder de indruk om zich heen keken. Wie weet hoe oud ze waren, waar ze vandaan kwamen, hoe ze leefden, wat hun denkwereld was.
Hier en daar waren kaalhoofdige monniken in paarsrode pijen bezig met klusjes, maar ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat het er te weinig waren om het klooster te bevolken. Hoewel in het klooster een levende en gewijde sfeer hing was het er op een of andere manier te rustig. Soms leek het of ik in een museum liep en de monniken suppoosten waren. Maar misschien was de rest gewoon ergens anders.
We doorliepen verscheidene rommelige vertrekken, met glimmende beelden, wilde muurschilderingen met vechtende metafysische wezens, rijen gebedenboeken, volgestapelde altaren, relikwieën en schitterende religieuze kunstvoorwerpen. We klommen trappetjes op en trappetjes af, en kwamen terecht in het tweede grote gebouw, dat om een reusachtig goudbedekt boeddhabeeld heen gebouwd bleek te zijn. Hier geen doolhof van kamers. Het 20 meter hoge beeld vulde de hele ruimte. Dit was de Maitreya Boeddha, ofwel de Boeddha van de toekomst. Hij zat recht voor zich uit te staren, ver boven ieders hoofd uit, en maakte met de duim en wijsvinger van zijn rechterhand een cirkel, alsof hij zeggen wilde: 'Alles prima in orde'.
Simon en ik kwamen tot de conclusie dat het Boeddhisme qua inhoud misschien helemaal niet, maar qua uiterlijk vertoon erg veel leek op het Katholicisme. De vele beelden van bodhisatva's en monniken uit het verleden, de altaren, de kaarsen, de wierook, de relikwieën, de amuletten, de pelgrims op hun bedevaart, de kloosters en hun monniken hadden allen hun equivalenten in de Rooms-Katholieke kerk.

Het Tibetaans centrum bestond uit witte rijtjeshuizen met geruite ramen en gordijntjes langs de dakranden. Hier en daar kwamen we een ouderwetse groene vrachtwagen tegen met Chinese soldaten in de achterbak. Ze waren altijd ongewapend. Moe en buiten adem vanwege de ijle lucht (Xigatse ligt op bijna 4 kilometer hoogte) bereikten we een pleintje waar mensen op de stoep armzalige koopwaar hadden uitgespreid.
Toen we een hoek om gingen zagen we plotseling dat het pleintje overheerst werd door de reusachtige, beschadigde muren van een kasteel, die opschoten uit een hoge rots. Dit was het vroegere Dzong van Xigatze, het gefortificeerde klooster, dat in 1959 en 1960 op de muren na volledig vernield is door de Chinezen en de plaatselijke Rode Gardisten. Ik verwonderde me over de grootte van alleen al de muren, die aan de forten van India deden denken. Wat een prestatie van zo weinig mensen in zo'n afgelegen gebied! De muren, zeker een paar honderd meter lang, waren langs de hele bovenkant gerafeld, en al de gebouwen die er boven gestaan hadden waren met de grond gelijk gemaakt. Onder gaten in de muren zaten wit uitgeslagen driehoeken, alsof er puin naar beneden was gegooid. We liepen naar de rots toe maar zagen nergens een mogelijkheid om naar boven te komen. Het zag er verlaten uit.
Op het pleintje liepen Tibetanen, de mannen in grote, dikke yakleren jassen, vaak afhangend van een schouder, de vrouwen in zware, brede rokken met schorten, tot op de enkels, in zwart en paars, met rode streepjespatronen op de schorten. Ze deden inkopen op een overdekte marktplaats met huishoudartikelen, yakboter, vlees, toffees en broodjes en verder niets, onder de muren van het geruïneerde fort.

Xigatse was misschien wel representatief voor heel Tibet. Gekoloniseerd door China, het oude Tibetaanse stadje omringd door planmatige Chinese stedenbouw, als een web waarmee de spin haar prooi heeft omwikkeld en uitgeschakeld. Het leek erop dat de Chinese immigranten, die nu de meerderheid van de bevolking vormden, het grootste deel van de opkomende toerismesector in handen hadden.
De aanwezigheid van de soldaten werd door mij als bezoeker niet als bedreigend ervaren. De sfeer was niet die van een land onder bezetting, maar wie weet wat voor gevoelens er bij de Tibetanen leefden.
De Tibetanen in klederdracht die op het armzalige marktje onder het fort rondscharrelden waren een minderheid in eigen land, ze leken zich op geleende grond te bevinden, in de schaduw van de ontmanteling van hun cultuur die door de kolonisten ondernomen was. Het vernielde fort wierp een sombere dreiging over het stadje: de teloorgang van een van de intrigerendste culturen ter wereld. Vroeger waren er duizenden grote en kleine kloosters in Tibet, nu nog maar 15. De Chinezen trokken naar de meest onbegaanbare oorden en klommen naar de hoogste rotspieken om alles te vernielen wat op een klooster leek. De meeste zijn nu gereduceerd tot hopen steen, alsof het om een lang geleden verdwenen beschaving gaat, het effect van honderden jaren wind en sneeuw geëvenaard door een paar ladingen dynamiet.
Het Tashilhunpo klooster was nog intact, en zou het ook blijven. De Chinezen hadden al lang spijt van hun vernielzucht die Culturele Revolutie heette. De weinige kloosters die nog over zijn worden zuinig behandeld, en godsdienstoefening werd er in beperkte mate toegestaan, zodat ze als trekpleister kunnen dienen voor het toerisme. Zo werd Tibet door haar kolonisator niet uitgebuit maar uitgebaat. En liepen de pelgrims in de kloosters wat verloren rond, alsof ze bezoekers waren in de musea van hun geschiedenis.
31 maart - Afscheid

De laatste dag in Xigatse was een verloren dag. Ziek, zwak en misselijk bleef ik de hele dag in bed liggen, schreef in mijn dagboek en overdacht mijn zonden. Tegen twaalven nam ik afscheid van Simon, die in een bus met pelgrims naar het Sakya klooster ging, 143 kilometer ten zuidwesten van Xigatse, in de vallei van de Trom rivier. Tot het laatst had hij getwijfeld of hij zijn plan zou uitvoeren of dat hij met mij direct naar Lhasa zou gaan. Rond Lhasa waren tenslotte grotere kloosters. Tenslotte liet hij het er van afhangen of er vandaag een bus zou gaan, en die ging er, van ons eigen busstationnetje, om twaalf uur. Hij kon zo instappen.
Simon was aangenaam gezelschap geweest, goedmoedig en spraakzaam, hoewel ik hem vaak niet goed verstond vanwege het vreemde accent dat hij zoals veel Engelsen had. Omdat ik het vervelend vond om steeds te vragen wat hij zei antwoordde ik dan meestal met een instemmend 'mm' als hij een pauze liet vallen. We namen afscheid zoals we zo vaak moesten doen onderweg, van mensen waarmee je dagenlang optrekt en die je goed leert kennen, en dan nooit meer terug ziet. Omdat we echter allebei naar Lhasa gingen en Lhasa geen grote stad was zouden we elkaar daar wel weer treffen. Ik was bovendien van plan er zeker een week te blijven.
- OK. - zei Simon, - Tot ziens in Lhasa dan. - En hij stapte de deur uit.
Ik kleedde me aan en wandelde nog een keer langs dezelfde plaatsen als de vorige dag, at in een van de restaurantjes, kocht een kaartje voor de bus naar Lhasa van de volgende ochtend, en bracht de rest van de tijd door op mijn kamer en het openbaar toilet.
1 april - Over de Kampa La pas, langs het Yamdrok meer, naar Lhasa

De ochtend van 1 april sliep ik door de piepwekker van mijn polshorloge heen en werd wakker om kwart over zeven. De bus vertrok om half acht. Snel stopte ik in het donker mijn spullen in mijn rugzak en, hopend dat ik niets vergat, liep naar de bus, die gelukkig maar 100 meter verderop stond. Behalve autochtonen zaten er een paar Zweden en Amerikanen in de bus, die verbaasd en respectvol keken omdat ik nonchalant pas op het laatste moment arriveerde.
Ik had in mijn stoel bijna geen beenruimte en de reis zou elf uur gaan duren. 's Ochtends hing het stof nog verstikkend dicht in de bus, en ik vroeg me af welke interessante zeldzame virussen ik allemaal inademde, maar geleidelijk aan begon het te verdwijnen, wat een hele opluchting was.
Bij de lunchstop bij een stenen bouwsel ontmoetten we een grote Japanse autobus die op weg was naar Xigatse, en ik ging eens kijken of ik wat te weten kon komen van reizigers uit Lhasa. Tot mijn verbazing stond plotseling een van de mensen uit Zhangmu voor mijn neus, die alweer op de terugweg was. Een sympathieke Duitser, die in Zhangmu nog verteld had dat hij nog maar vijf dagen over had van zijn vakantie, en in die tijd naar Lhasa en terug wilde omdat Tibet ieder moment weer voor buitenlanders gesloten kon worden. Het zou hem dus net lukken.
Een ander vroeg me of dat vreselijke stof verderop minder werd, en ik moest hem teleurstellen, het zou juist steeds erger worden. Hij gaf me zeer interessante informatie. Het bleek dat enkele dagen eerder de Chinese luchtmacht met legertransportvliegtuigen passagiersvluchten vanuit Lhasa op Chengdu was gaan uitvoeren. Deze vluchten concurreerden dus met de reguliere vluchten van de CAAC, de Chinese burgerluchtvaartmaatschappij. Voor deze vluchten moesten buitenlanders 400 FEC betalen. De luchtmacht vroeg 357 RMB. De tickets zouden te koop zijn aan de balie van het Kirey Hotel in Lhasa. Nu deden er wel meer vreemde geruchten de ronde in het reizigerscircuit, maar als het waar was zou dat erg gunstig zijn. De gemakkelijkste route over land naar Chengdu was een dertig uur durende busreis naar Golmud, ten noorden van Lhasa, waar de spoorweg begint, en vandaar met de trein met een enorme bocht door troosteloze steppes via Xining en Lanzhou naar Chengdu.
De autobus vertrok, en ik liep het stenen bouwsel in, dat leek op een soort hol uit de middeleeuwen. Het weinige voedsel dat men hier aanbood, wat koeken en oliebollen, sprak me niet zo aan, en ik nam zoals de meeste anderen alleen een glas melkthee. Hiervoor moest ik natuurlijk in plaats van 1 mao, 2 mao betalen, omdat ik een buitenlander was. Dit irriteerde me, en ik pestte de vrouw die de thee verkocht en vertwijfeld riep: -Two! Two! -, door te zeggen: -No! One! One cup of tea!.-, en gaf haar 1 mao (een tiende yuan). Dit ging een poosje zo door, zonder dat de vrouw, die alleen maar 'two' kon zeggen, het er bij liet zitten. Een Chinese passagier maakte een einde aan de pret door te zeggen: -Two bucks. Two bucks.- Toen moest ik het wel begrijpen.
Een uur later kwamen we in Gyangtse, waar we iets buiten het stadje langs de weg een sanitaire stop maakten. Een kilometer verder stond een mooie eenzame rots, langs de helling en de top waarvan een aantal fort-achtige structuren stonden: het kasteel van Gyangtse. Erachter lag het stadje. Het weggetje waar we stonden werd aan beide kanten geflankeerd door de dichte, kale takken van rijen wilgen. Er liepen in het zwart geklede oude mensjes met kruiken op hun rug gebonden en ezeltjes bij zich. Een door een ezel getrokken kar met een man erop kwam voorbij. In de verte hing een spandoek over de weg. Achter de wilgen stroomde een klein geultje met helder water. Langs het weggetje waren akkers, in de verte bruine bergen.
Na Gyangtse werd het landschap tot mijn verrassing steeds mooier en afwisselender. We kruisten rivierbeddingen van wit grind waarin nu alleen een smal stroompje blauw water liep. Hier en daar lag sneeuw. Verder rijdend kwamen we zowaar in een file van drie vrachtwagens te staan, waarvan de voorste een klapband had gehad en de weg blokkeerde. Ik maakte van de gelegenheid gebruik de bus uit te gaan en een eindje het landschap in te lopen. De lucht was helder en niet koud. Ik liep op een dun, bruin toendragras, dat op een dunne bodem op grind groeide. Een klein stroompje liep in de richting van de weg, waar een van de vrachtwagens nu probeerde in een bocht, door het stroompje heen, langs het ongeluk te rijden. Ik keek naar de bergen vlakbij die naar de lage witte wolken toe oprezen. Ik zou er graag naar toe willen lopen, helemaal alleen in deze grootse en zuivere natuur. Ik voelde een grote tegenzin om de bus weer in te gaan, want ik zou hier waarschijnlijk nooit meer terug komen. Helaas zag ik al gauw de bus achter de vrachtwagens aan rijden en moest ik snel terug lopen.
Langs diepe ravijnen en besneeuwde bergen reden we weer geleidelijk naar boven toe, en bereikten eerst de Karo La pas, op 5045 meter hoogte, en uiteindelijk de laatste pas voor Lhasa, de Kampa La pas, 4794 meter boven zeeniveau. De bus stopte bij de met gebedsvlaggetjes versierde steenhopen en staken die zich hier bevonden. De passagiers voegden er nog vlaggetjes aan toe, en kleine papiertjes met opdruk. Ik nam er een mee als souvenir. Er stonden rennende paarden op. Een oude moeder werd door haar dochter langs de steenhopen geleid. Ze droeg een lange, dikke blauwe jas en had een kaal geschoren hoofd.
Aan de zuidkant van de berg waarop we stonden lag het majestueuze Yamdrok meer, omringd met glooiende bergen bedekt met kort geel gras. Het azuurblauwe water was spiegelglad. Smetteloos witte wolken wierpen snel verschuivende schaduwen op het water en op de bergen rondom. Ten noorden slingerde de weg met lange lussen door woest golvend berglandschap omlaag naar de vallei van de Kyichu rivier in de verre diepte. Aan de overkant van de vallei liep het gebergte door naar de horizon. De wolken begonnen vanuit het noorden de lucht dicht te trekken en het als door een bladerdak gefilterde zonlicht speelde een snel wisselend patroon van licht en donker over het tafereel. Verder naar het oosten in de vallei lag Lhasa.

De bus vervolgde zijn weg, alsmaar naar beneden, door wilde uitlopers van het gebergte. Veel te snel zag ik het allemaal voorbij schieten. Af en toe kon ik een blik werpen in de afgrond naast de weg en zag in schaduwen gehulde diepe kloven, waarin soms ruïnes van gebouwen stonden, omringd door keurige, bewerkte akkers.
Aangekomen op de riviervlakte bleek de weg voor het eerst sinds Nepal weer geplaveid te zijn. Er waren veel akkers, en hier en daar liepen grote, harige yaks. Het laatste stuk liep de weg vlak langs de rivier, met kalm en helder water, en na een half uur bereikten we een leeg busstation. De Zweden en Amerikanen stroomden de bus uit, en hoewel het me leek dat de bus nog wel door zou rijden naar het stadscentrum, de Tibetanen bleven immers allemaal zitten, liep ik toch maar achter ze aan. Een paar kilometer verderop lag Lhasa. Tegen een achtergrond van droge bergen zag ik het eigenlijke, mysterieuze einddoel van mijn reis: het Potala Paleis.
Te voet gingen we in de richting van de stad. De anderen waren er al eerder geweest, aangezien ze vanuit China gekomen waren. Een eindje op weg werden we opgepikt door een klein tractortje met aanhangwagentje, dat hier voor openbaar vervoer scheen door te gaan. Voor het inrijden van de eerste straat was hij waarschijnlijk al bij zijn eindpunt aangekomen, want de grote Tibetaan aan het stuur weigerde verder te gaan. Een van de Zweden, met vieze kleren en een weekendtas als enige bagage, gaf de Tibetaan een lieve glimlach en wees verder de straat in, maar deze keek hem zo keihard uitdrukkingsloos aan, zonder iets te zeggen, dat de glimlach van zijn gezicht geveegd werd. We stapten dus weer uit en gaven de Tibetaan zijn geld. Een eindje verder zagen we de andere passagiers uit de bus stappen, die dus toch door gereden was. - Thanks for telling us! -, riep een Zweed.
Onder het Potala langs liepen we naar het Tibetaanse centrum. Het paleis rees met al zijn witte en rode verdiepingen en trappen tegen de blauwe hemel op. De brede trappen zigzagden van twee kanten naar boven toe, naar grote, door hangende doeken afgesloten poorten. De bovenste gebouwen waren rood, en werden bekroond door gouden daken. De honderden vierkanten ramen leken op ogen die streng neerkeken op de stad.
Even later bevond ik me in het Kirey Hotel, op de derde en hoogste verdieping van een gebouw met galerijen, alleen in een driepersoonskamer die uitkeek op de binnenplaats beneden, met een pomp en een stenen blok om kleren op te wassen, en over stoffige, platte daken heen op het Potala Paleis twee kilometer verder.


